HET IS MOEILIJK BESCHEIDEN TE BLIJVEN

Het‘PeterBlankerConsort’in theater‘In DenTwijfelaar’in de
Mauritsstraatte Rotterdam- 1972.(foto, stadsarchief)

Ooit ben ik mijn artistieke carrière begonnen in Galerie ‘Het Galgje’ aan de Dorpsstraat in Hendrik Ido Ambacht. Twee arbeiderswoninkjes, die slechts bereikbaar via een nauw gangetje, romantisch verscholen aan de dode rivierarm het Waaltje lagen. Ik had ze omgetoverd tot een atelier en expositieruimte waar ik en mijn Rotterdamse collega’s onze artistieke konterfeitsels tentoonstelden. Al snel werd het veel meer dan dat. De Rotterdamse tegenhanger van het Galgje bevond zich namelijk pal boven het beroemde huiskamertheater ‘In Den Twijfelaar’. Cabaret In Den Twijfelaar was de naam van een cabaretgezelschap dat in Rotterdam was opgericht in 1963 door de Nederlandse acteur, schrijver en regisseur Louis Lemaire, met o.a. de acteur en cabaretier Louis Kockelmann en de Nederlandse actrice Loes Vos. Zij en later ook nog Huub Scholten trokken regelmatig naar het toen nog zeer landelijke Hendrik Ido Ambacht om er de boel op stelten te zetten. Met een boerenkar trokken we dan door het dorp om kinderen te lokken die wij in de tuin van dit culturele centrum vergastten op gratis theater-, poppenkast- en muziekvoorstellingen. Ooit heeft Gerard Cox er nog zijn debuut gemaakt en de
troubadour Dimitri van Toren was er kind aan huis. Dimitri, bevriend met Peter Blanker en de toen nog onbekeerde Elly en Rikkert Zuiderveld traden er regelmatig op. Dat kon natuurlijk niet lang goed gaan. In het toen nog vrijwel volledig reformatorische Ambacht zorgde deze groep artistiekelingen voor de nodige opschudding. Dus net als zijn collega burgemeester Ridder van Rappard, ook wel de ‘Zonnekoning van Gorinchem’ genoemd, trachtte burgemeester De Ridder van Hendrik Ido Ambacht dit de kop in te drukken. Pech voor hem, maar gelukkig voor mij, waren de tijden echter ingrijpend veranderd. De Rotterdamse import Ambachters pikten dit autocratisch handelen niet meer en er werd een heuse handtekeningenactie gehouden. Ook de plaatselijke, ja zelfs de landelijke pers, had lucht gekregen van deze opschudding en de kranten stonden er bol van. Toen de plaatselijke progressieve partijen dit zagen, roken ze electorale winst en werden ik, en de artistieke bende, ineens voorpaginanieuws. Ik was in één klap beroemd. Peter Blanker schreef toen zijn hit “Het is moeilijk bescheiden te blijven”. Het refrein daarvan gaat als volgt:

’t Is moeilijk bescheiden te blijven
Wanneer je zo goed bent als ik
Zo stoer, zo charmant en zo aardig
Dat zie je in één ogenblik
Ik denk als ik kijk in de spiegel
Daar staat een geweldige vent
’t Is moeilijk bescheiden te blijven
Voor een kerel met zoveel talent (jaja)

Met deze cynische versregels legde Peter Blanker zijn vingers op een teer punt. Het zijn namelijk lang niet altijd de positieve kanten van iemands karakter of dat unieke talent die iemand beroemd maken. Vaak draagt het veroorzaken van een flinke rel in belangrijke mate bij aan iemands roem. Een fenomeen dat we terugzien bij veel van onze BN’ers. Vechtscheidingen, ruzies en achterklap vullen de praatprogramma’s waarin, al of niet waargebeurde verhalen, hele volksmassa’s aan de buis gekluisterd houden.

Toch is hier de laatste paar jaar een kentering in gekomen. Niet dat er nu minder geroddeld wordt. Nee, in tegendeel. De juicekanalen waarin BN’ers aan de schandpaal genageld worden, zijn mateloos populair. Als echte moraalridders schrijven hun redacteuren de ene na de andere verdachtmaking op en, zonder enig fatsoenlijk onderzoek of ook maar het geringste weerwoord, worden mensen afgeserveerd en carrières gebroken. Niet dat ik hier nou echt wakker van lig. Het betreft namelijk altijd mensen die, dankzij hun populariteit, kruiwagens met geld hebben binnengesleept en, als ze het ook maar een beetje Het‘PeterBlankerConsort’in theater‘In DenTwijfelaar’in de Mauritsstraatte Rotterdam- 1972.(foto, stadsarchief) slim hebben aangepakt, kunnen ze na hun publieke vernedering de rest van hun leven gaan rentenieren in Dubai. Misschien moeten we dit hele systeem van roem en de daarop volgende neergang dan ook maar als een zegen beschouwen. Het schept immers ruimte voor weer nieuwe mensen die zo nodig de gunst van het publiek moeten verwerven.

Dit brengt mij bij één van mijn lievelingspassages uit het boek Prediker. In hoofdstuk 4 zegt Salomo namelijk: “Beter een arme maar wijze jongeman, dan een oude maar dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten. Ja, iemand komt uit de gevangenis om koning te worden, terwijl iemand die in zijn koninkrijk is geboren, verarmt. Ik zag al de levenden onder de zon omgaan met de jongeman, de tweede, die voor hem in de plaats kwam. Er komt geen einde aan al het volk, aan allen die er vóór hen waren. Ook zullen zij die later komen, zich niet over hem verblijden. Ja, ook dat is vluchtig en najagen van wind.” ‘Schrijf dat in alle talen van de wereld op de muren van het labyrint dat je op het Place de la Concorde moet gaan bouwen. Haal die obelisk maar weg en geef dat stukje ‘roofkunst’ terug aan Egypte waar Napoleon het ooit gejat heeft en bouw op de plek waar jullie je koning hebben onthoofd maar een doolhof met op de wanden deze boodschap. Hopelijk leert men er dan wat van. Dan is de Franse revolutie toch niet helemaal voor niets geweest’. President François Mitterand was niet erg gecharmeerd van dit voorstel. Ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van de Franse Revolutie had hij alle kunstenaars van het ‘Maison des Artistes’, waaronder ik dus, uitgenodigd een voorstel te doen. Helaas; de relativering van onze menselijke eer en volksgunst vond geen genade in de ogen van deze socialistische president.

Hendrik Ido Ambacht, 6 februari 2024
Pr. Eric Visser.

WAAR IS MENEER AART
GEBLEVEN?

DanYaccarino– “Henrygaat naardekapper”- uit deOswaldserie– vanaf3 jaar

De vriendelijke oude man pakte het boek, hield het omhoog, en vroeg: “Kan je al lezen?” “Nee”, schudde het meisje. “Geeft niks hoor. Dat leer je nog wel. Later als je groot bent. Ik zal wel voorlezen.” Met een gedragen stem voerde hij een soort toneelstukje op. “Henry, je moet naar de kapper”. Oswald de inktvis sprak zijn vriendje Henry de pinguïn vermanend toe. “Er staat een veer boven op je hoofd kaarsrecht omhoog. Dat is toch geen gezicht. Kom maar mee, dan knippen we die er snel even af”. “Ik durf niet”, zei Henry. “Dat doet vast pijn”. “Welnee”, zei Oswald. “Daar voel je helemaal niets van”. Maar Henry geloofde zijn vriendje Oswald niet. Hij zocht allerhande uitvluchten om maar niet naar de kapper te hoeven gaan. Hij zette een hoed op zodat niemand die vervelende veer zou kunnen zien. Nog veel meer excuses volgden, maar de omslag van het boekje had het al verraden. ‘Henry moest en zou er aan geloven’. Het meisje had aandachtig geluisterd en op iedere nieuwe pagina had ze de dieren die ten tonele verschenen, aangewezen. Maar toen de dokter mijn naam riep en uitnodigde met haar mee te gaan naar de behandelkamer, was ze diep teleurgesteld. ‘Hoe zou het verder gaan?’, zag ik in haar vragende ogen. In een opwelling drukte ik het boek in de handen van de oudere dame die naast haar zat. “Oma leest wel verder”, zei ik. Snel stond ik op en liep de behandelend arts achterna. Toen ik een
kwartier later weer in de wachtkamer terug was, waren het meisje en de oude dame verdwenen. ‘Ik hoop maar dat ze het boek heeft uitgelezen’, dacht ik terwijl ik huiverend mijn auto opzocht. ‘Wat een ellende. Honderd meter door de regen lopen! Kunnen ze niet wat parkeerplaatsen vlak bij de deur voor mij reserveren?’ Ineens was die vriendelijke oude man weer veranderd in de gebruikelijke nukkige vent die zich snel tekortgedaan voelt.

Op weg naar huis, vroeg ik me af hoe het kwam dat dit meisje in staat was geweest om mij om te toveren in een vriendelijke oom die, buiten zichzelf tredend, een heus toneelstukje had opgevoerd. Er was iets in haar ogen, een soort schittering denk ik, die het harnas van de cocon waarin ik mij gewoonlijk van de buitenwereld afsluit, verpulverd had. Hullen wij onszelf, zodra we een wachtkamer binnengaan, niet onmiddellijk in een stilzwijgende ‘raak me niet aan modus’? In onszelf gekeerd staren we op de beeldschermen van onze mobieltjes, bladeren door één van de tijdschriften of staren zwijgend voor ons uit. “Goede morgen”, klinkt dan als een bezwering die ons van verdere communicatie moet vrijwaren.
Vroeger had je nog wel eens iemand die over zijn of haar kwalen begon, maar sinds het intreden van de mobiele telefoon kom je die nog maar zelden tegen. Stel je voor dat men iets zou ontdekken van wie je werkelijk bent. Je gaat nog liever dood. En dan is daar plotseling zo’n meisje van drie. Dat in staat is dit alles te doorbreken en de wachtkamer om te toveren in een echt theater met echte acteurs. Ik heb er geen naam voor. Soms kijkt een kind je aan en dan smelt je weg. Iedere weerstand en alle stoerdoenerij zijn dan als sneeuw voor de zon verdwenen. Ineens ben je weer een normaal mens met gevoelens die je zo maar durft te uiten. Zonder enige gêne ben je weer kind met de kinderen en ben je een acteur in het spel van die rare pinguïn met een rechtopstaande veer op zijn kop.

Zou Jezus dát bedoeld hebben toen Hij zei: “Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.” Mattheüs 18: 3b.

Hendrik Ido Ambacht, 27 december 2023
Pr. Visser.

ISRAËL-HAMAS

Het zal inmiddels al wel zo’n vijfendertig jaar geleden geweest zijn dat ik in een droom de oplossing van het Israëlisch/Palestijnse conflict voor m’n ogen zag ontrollen. In een heuvelachtig landschap hielden twee soldaten, elk in hun eigen loopgraaf verscholen, elkaar onder schot. Ze wisten dat, zodra één van hen zou schieten, de ander, als in een automatische reflex, ook de trekker zou overhalen. Een verlammende patstelling die slechts in elkaars vernietiging kon eindigen. Ze waren doodsbang en lieten hun aandacht geen moment verslappen. Dit duurde net zo lang totdat één van hen tot het besef kwam dat het eigenlijk helemaal niet uitmaakte. Hij kon wachten totdat hij er dood bij neer zou vallen of zich maar gelijk laten neerknallen. Hij zou het hoe dan ook nooit overleven. Hij gooide daarom demonstratief zijn geweer weg, kwam zijn loopgraaf uit en riep: “Als je perse wilt, schiet dan maar”. De andere soldaat, hierdoor totaal overrompeld, was zo blij dat hij het er levend vanaf had gebracht dat hij zijn tegenstander huilend in de armen vloog. De morele overwinnaar was de soldaat die het eerst dit duivelse dilemma durfde te doorbreken.

Waarom valt Hamas Israël aan? [de Palestijnse kwestie] – YouTube

“Een mooi verhaal, maar wel wat naïef’, was destijds de reactie. Nou dat kan wel zijn, maar het verhaal is inmiddels actueler dan ooit. Het wantrouwen tussen beide soldaten heeft in die vijfendertig jaar dusdanige proporties aangenomen dat ze niet alleen elkaar, maar ook elkaars familie, zelfs elkaars totale land dreigen uit te moorden. Gooi in die situatie je geweer nog maar eens weg! ‘Geen denken aan’. Maar hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom kon geen van die soldaten over zijn eigen schaduw heen stappen en waarom worden we nu geconfronteerd met twee verliezers in plaats van twee overwinnaars. Het antwoord ligt bij diegenen die achter elk van die soldaten staan. Dat is aan Israëlische kant de Joods/Christelijke wereld en aan Palestijnse kant de Islamitische wereld. Het is Izaäk versus Ismaël en die schijnen onverzoenbaar te zijn. De twee zonen van Abraham strijden om de berg Moria. De berg waarop beiden hun vaders liefde claimen. Mijn eigen zoon Jean-Eric heeft hier een studie van gemaakt en in een podcast legt hij uit wat de Torah, de Bijbel en de Koran hier over te zeggen hebben. Elk een beeld dat de ander uitsluit. Een podcast die het zeker waard is om eens af te luisteren. Hij kan je iets leren over de veelal onbekende standpunten van de ander. Voor mij zaten er in ieder geval wel een paar eyeopeners bij.

Maar hoe zal hun hemelse Vader dit allemaal ervaren? We proeven daar iets van in het verhaal van de ‘Verloren zoon’. Het verhaal van een oudste zoon die zijn jongere broer het licht niet in de ogen gunde en weigerde naar binnen te gaan om aan het feest deel te nemen. Hij bleef verongelijkt buiten zitten mokken en, hoewel zijn vader hem verzekerde dat alles wat hij had voor die oudste zoon was, kon hij zich niet verheugen in het feit dat zijn dood gewaande broer was teruggekeerd. Hoe opmerkelijk toepasbaar is dit verhaal eigenlijk. Het moge ons aansporen voor die oudste zoon te gaan bidden. Hem te wijzen op de vele gaven die zijn vader ook aan hem heeft gegeven. Hem te verzekeren dat zijn vader altijd bij hem is geweest en hem te leren niet afgunstig te zijn nu zijn jongere broer is teruggekeerd.

Hoe het zal aflopen weten wij echter ook. In het Nieuwe Jeruzalem dat, gebouwd op die berg Moriah, ooit uit de hemel zal neerdalen, is geen tempel. Dat wil zeggen ‘geen religie’ meer te vinden. “Omdat God zelf bij de mensen zal wonen”, staat in Openbaringen 21: 22.

Hendrik Ido Ambacht, 30 november 2023
Pr. Eric Visser.

VALLEN IN DE GEEST

Samen met de Igreja Quadrnguar van Itaim Paulista is Children Asking gastheer geweest voor een groep bevlogen Afrikaanse/Caraïbische/Nederlandse evangelische pastors die middels meerdaagse conferenties opwekking brengen. Het is een klein beetje als in Lucas 10 waar we kunnen lezen dat Jezus zeventig van zijn discipelen, twee bij twee uitzond om het Koninkrijk aan te kondigen. Hij (Jezus) gaf hen kracht om demonen uit te drijven, zieken te genezen en wonderen en tekenen te verrichten. Net als toen trekt deze ‘Glory train’ door de wereld en de Heilige Geest had hen São Paulo aangewezen als de plek waar Hij zich wilde manifesteren. Samen met onze ambassadeur in Brazilië, Richard Zevenbergen, hadden we besloten deze mensen te ontvangen en te begeleiden in hun bediening. Onze ruimte en personeel hadden wij ter beschikking gesteld en de contacten met de ons bevriende Pr. Marcus van de eerder genoemde kerk waren snel gelegd. Wonderlijk hoe het verhaal uit Lucas zich daarna letterlijk voor onze voeten ontvouwde. Het eerste wat die discipelen moesten doen, is weggaan in afhankelijkheid en hun gastheren ‘vrede’ toewensen. Vervolgens: “genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen” (HSV Luc.10:9). Nou die vrede hebben wij ervaren en de wonderen en tekenen konden dan ook niet uitblijven.

Dat begon al gelijk op de eerste avond. Velen werden aangeraakt door de Heilige Geest en, net als op de Pinksterdag, gebeurden er wonderlijke dingen. Mensen begonnen uitzinnig te juichen, te trillen, in vreemde tongen te praten en sommigen vielen spontaan op de grond. Onder hen was een meisje van, naar wat later bleek, twaalf. Ze stond te huilen alsof de wereld vergaan was. Ze schokte heen en weer en kon nauwelijks op haar benen blijven staan. Toen ik, in een troostend gebaar, mijn hand op haar hoofd legde, viel ook zij pardoes op de grond. De snel toegestroomde assistenten bedekten haar met een witte doek terwijl het trillen en het huilen onverminderd doorging. Langzaam maar zeker ging dat huilen echter over in lachen. Ze begon te hikken en de tranen in haar ogen werden vreugde tranen. Later die avond kwam ze naar me toe. “Ik wil u bedanken”, zei ze. “Bedanken? Waarvoor?, vroeg ik. “Dat u mij bij Jezus hebt gebracht. Ik ben nu zo blij. Nog nooit in mijn leven ben ik zo blij geweest. Het is alsof ik opnieuw en voor het eerst geboren ben”. Terwijl ik dit opschrijf, wellen automatisch de tranen, die toen in mijn ogen kwamen, weer bij mij op.

Even later kwamen er een paar andere meisjes naar mij toe en brachten een vriendinnetje mee. “Wilt u ook voor haar bidden”, vroegen ze. In de veronderstelling dat ook zij voor gebed om de Heilige Geest kwam, legde ik mijn handen op haar hoofd, maar nee, “dat was niet de bedoeling”, zeiden de meisjes. “Wij brengen haar bij u omdat ze genezing nodig heeft. Ze heeft een oogaandoening en kan slecht zien”. Even van m’n stuk gebracht, vermande ik me snel en legde mijn duimen op haar ogen, bad voor haar, bedekte haar ogen met mijn hand, haalde die weg en ik keek in een paar stralende ogen. “Ik kan alles weer zien”, riep ze uit. Ook een jongen met verschrikkelijk oorsuizen werd ter plekke genezen en tientallen andere mensen, waaronder veel kinderen en tieners vielen in de Geest.

Wat is dat eigenlijk, dat ‘vallen in de Geest’. Sommige christenen staan hier afwijzend, of minimaal afwachtend tegenover. Ze vertrouwen het niet helemaal. Is het wel zuiver? Nou ik kan u één dingvertellen; dat meisje viel echt. Daar was geen druppel komedie bij. Ze was zo vol met liefde van Jezus dat ze de hele wereld wel wilde omhelzen. Een gevoel zo overweldigend dat ze de controle over haar spieren verloren had en spontaan in een enorme lachbui uitbarstte. Toen ik haar vroeg of ze gedoopt wilde worden, kreeg ik als antwoord: “Ja graag!”. Ze schreeuwde het uit. Die zaterdagavond, zelf in een dooptenue gehuld, moesten de assistenten mij tegenhouden anders zou ik  zelf ook van het podium gevallen zijn. Toen ik haar in haar witte jurk zag staan, wist ik het zeker. “God heeft een bijzonder plan met jou. Jezus zal zich aan jou openbaren op een hele directe en speciale manier”, profeteerde ik na haar gedoopt te hebben. Extatisch bijna stak ze haar hand in een overwinningsgebaar omhoog. Alsof ze wilde zeggen: “Heer, hier ben ik. Zeg het maar ik ben er klaar voor”.

Toen ik afscheid nam van onze Afrikaanse pastors en pastor Marcus van de Igreja Quadranguar van Itaim Paulista in São Paulo zei ik: ”Lucas 10 heeft zich voor onze ogen voltrokken”. “Amen”, kreeg ik ten antwoord.

São Paulo (SP), 30 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN AL DIE WONDERDOENERS GEBLEVEN?

“Het is niet goed dat de mens alleen zij” (Genesis. 2:18) Op deze symbolische plek aan het Praia Vermelha (rode strand) in Rio de Janeiro heb ik, samen met onze coördinatrice voor deze staat, Ingrid Sovat, op vrijdag 29 september j.l. een Bijbelstudie gehouden. Wie zijn toch die wonderdoeners uit Mattheüs 7: 22-23 die in Jezus naam profeteren, demonen uitdrijven en zieken genezen en die desondanks eeuwig verloren zullen gaan? Een klemmende vraag, Want hier in Brazilië lopen nog al wat figuren rond die met een hoop herrie en spektakel wonderen verrichten. Mensen die kennelijk een telefoonlijn naar boven hebben en jou haar fijn weten te vertellen wat God van jou wil. Voornamelijk is dat het betalen van tienden ten behoeve van hun eigen clubkas. Met de verworven kapitalen worden dan tempels gebouwd en privéjets gekocht. Die heren moeten zich immers snel en comfortabel kunnen verplaatsen omdat elders nog duizenden op hun wonderbaarlijke genezingen zitten te wachten.

Het antwoord komt van Jezus zelf en vinden we in Mattheüs 25 vanaf vers 41 tot het einde. Het zijn die mensen die het belangrijkste gebod, ‘heb u naaste lief als uzelf’ verzaakt hebben. Mensen die niet naar hun medemens in nood hebben omgekeken, maar die uitsluitend aan hun eigen ‘koninkrijk’ hebben gebouwd. Een heel ernstige waarschuwing die wij ter harte dienen te nemen. Wat is de diepste motivatie die ons drijft bij het prediken van Jezus. Zijn wij dat zelf of lopen we, zoals op dit strand, in verbondenheid met onze naasten? De ware religie is ‘zorg voor de weduwe en wezen in nood en zichzelf rein houden voor deze op geld en macht beluste wereld’. Althans dat zegt Jezus eigen broer Jacobus hier over.

Toen ik dit verhaal aan een, eveneens in Brazilië werkzame, collega voorhield, en om een reactie vroeg kreeg ik het volgende antwoord. “Altijd al was het een grote verleiding voor de kerk in Brazilië om zich in te laten met welke vorm van magie dan ook…. de katholieke kerk met haar mystieke en spiritistische invloeden. Het volk is gevoelig voor de mooie dingen van God, maar spiegeltjes en kralen trekken meer mensen… een verkeerde vorm van ‘succes’…. ik zie kerken ten onder gaan door hun ‘succes’ een soort wedstrijd wie God het meest voor hun karretje kan spannen. Maar niet alleen in Brazilië…..”

Een bevestiging van mijn zorgen rondom de zuiverheid van sommige Braziliaanse mega-kerken. Veelzeggender zijn echter de puntjes achter de zin: “Maar niet alleen in Brazilië…..”. Wereldwijd, en Nederland vormt daar beslist geen uitzondering op, zie je dat men de “spiegeltjes en de kralen” van het geloof achterna holt. De leuke dingen zijn populair en dat trekt massa’s mensen aan. Iedereen wil wel genezing, iedereen wil wel een dijk van een band waarvan je uit je dak gaat en iedereen is nieuwsgierig naar de toekomst en bovennatuurlijke zaken. Maar is dit wel het geloof dat Jezus Christus predikte? In Mattheus 4: 17 zegt Hij iets totaal anders, namelijk: “Bekeer u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij”. Bekeren is ‘je omdraaien’ oftewel ‘de weg waarop je loopt verlaten en een andere richting inslaan’. Nou dat doen we niet door ons met deze spiegeltjes en kralen een emotionele boost te geven. Dat stimuleert eerder het tegendeel.

Bestaan die ‘mooie dingen van God’ dan soms niet, of mogen we er dan niet naar verlangen? Ze bestaan wel degelijk en je mag er ook best naar verlangen. Wat we echter in deze consumptiemaatschappij vergeten zijn, is het feit dat in Markus 16 staat: “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: ….” Volgen, dat wil zeggen ze zullen het gevolg zijn en niet het doel van ons geloof. Dat doel is ‘Jezus volgen, radicaal’. Zie hier het thema van de serie preken die ik de komende periode Braziliëwijd en elders zal gaan houden.

Hendrik Ido Ambacht, 1 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR GAAN WE NAARTOE?

Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023

Het aantal soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen) onder jongeren stijgt schrikbarend. Daarom hebben de GGD’s (overheidsinstellingen van Gemeentelijke Gezondheidsdiensten) van een aantal studentensteden besloten om tijdens de introductieweken gratis condooms uit te reiken. Zij doen dat onder het motto: “Geef liefde. Geen soa”. Een uiterst dubieuze slogan die er van getuigt dat men er tegenwoordig vreemde opvattingen over het begrip liefde op na houdt. Een zelfde misvatting die tijdens de Canal Parade in Amsterdam zichtbaar werd. Ook daar werden de boten, opgeluisterd met in ondergoed dansende mensen, die naar “liefde-verwijzende” teksten met zich meevoerden. Ook hier werd seksualiteit gelijkgesteld aan het begrip “liefde”. Ik zal hier geen poging doen om uit te leggen wat liefde is. Daar zijn al boeken vol over geschreven en zowel de Bijbel als seculiere boeken geven daar een beeld van dat ver uitstijgt boven de dierlijke, vaak perverse, seksuele verlangens die de GGD en de LHBTIQ+-beweging hieraan toedicht. Om nu eens niet naar de Bijbel te verwijzen; Romeo en Julia hadden wel iets meer dan alleen maar seksuele behoeftes. En om nog even verder terug te gaan in de wereldliteratuur; Floris uit Floris ende Blancefloer van Diederik van Assenede (de eerste, in het Diets geschreven, Nederlandstalige roman uit 1230), waagt niet alleen vanwege zijn seksuele aberraties zijn leven om zijn geliefde uit de harem van een sultan te redden. Als hij ontdekt wordt, worden zijn oprechte gevoelens door de sultan herkend en schenkt hij hen beide gratie. Kortom de woorden die Paulus in 1 Corinthiërs 13 aan de liefde wijdt, staan niet op zichzelf. Het is een samenvatting van wat wereldwijd gezien wordt als de liefde zoals die door God in de schepping is gelegd.

Als ik bedenk dat mijn, nu negenjarige geadopteerde kleindochter over nog eens negen jaar in deze
studentenwereld geïntroduceerd moet worden, dan ontvlam ik van woede bij de gedachte dat haar
lichaam straks geofferd moet gaan worden op de altaren van een volkomen verloederde wereld. Niets van respect, geen liefde, geen zorgzaamheid en al helemaal geen opofferingsgezindheid is er in de slogan: “Geef liefde. Geen soa”, te bespeuren. Slechts een kortstondige zelfbevrediging, liefst zonder consequenties, is wat men de jeugd te bieden heeft. Het is daarom, om haar en al haar leeftijdgenootjes te beschermen dat wij haar opvoeden met de waarden die de zeven Bijbelse
principes ons leren. In de in de schepping vastgelegde waarden zoals: 1) onafhankelijkheid, 2)
verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023 oogsten, ligt hun anker voor een leven in harmonie met God en hun naasten. Niet in een condoom dat hen moet beschermen tegen de gevolgen van een verloederde seksualiteit.

Hendrik Ido Ambacht, 14 augustus 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

WAAR IS MENEER AART
GEBLEVEN?

DanYaccarino– “Henrygaat naardekapper”- uit deOswaldserie– vanaf3 jaar

De vriendelijke oude man pakte het boek, hield het omhoog, en vroeg: “Kan je al lezen?” “Nee”, schudde het meisje. “Geeft niks hoor. Dat leer je nog wel. Later als je groot bent. Ik zal wel voorlezen.” Met een gedragen stem voerde hij een soort toneelstukje op. “Henry, je moet naar de kapper”. Oswald de inktvis sprak zijn vriendje Henry de pinguïn vermanend toe. “Er staat een veer boven op je hoofd kaarsrecht omhoog. Dat is toch geen gezicht. Kom maar mee, dan knippen we die er snel even af”. “Ik durf niet”, zei Henry. “Dat doet vast pijn”. “Welnee”, zei Oswald. “Daar voel je helemaal niets van”. Maar Henry geloofde zijn vriendje Oswald niet. Hij zocht allerhande uitvluchten om maar niet naar de kapper te hoeven gaan. Hij zette een hoed op zodat niemand die vervelende veer zou kunnen zien. Nog veel meer excuses volgden, maar de omslag van het boekje had het al verraden. ‘Henry moest en zou er aan geloven’. Het meisje had aandachtig geluisterd en op iedere nieuwe pagina had ze de dieren die ten tonele verschenen, aangewezen. Maar toen de dokter mijn naam riep en uitnodigde met haar mee te gaan naar de behandelkamer, was ze diep teleurgesteld. ‘Hoe zou het verder gaan?’, zag ik in haar vragende ogen. In een opwelling drukte ik het boek in de handen van de oudere dame die naast haar zat. “Oma leest wel verder”, zei ik. Snel stond ik op en liep de behandelend arts achterna. Toen ik een
kwartier later weer in de wachtkamer terug was, waren het meisje en de oude dame verdwenen. ‘Ik hoop maar dat ze het boek heeft uitgelezen’, dacht ik terwijl ik huiverend mijn auto opzocht. ‘Wat een ellende. Honderd meter door de regen lopen! Kunnen ze niet wat parkeerplaatsen vlak bij de deur voor mij reserveren?’ Ineens was die vriendelijke oude man weer veranderd in de gebruikelijke nukkige vent die zich snel tekortgedaan voelt.

Op weg naar huis, vroeg ik me af hoe het kwam dat dit meisje in staat was geweest om mij om te toveren in een vriendelijke oom die, buiten zichzelf tredend, een heus toneelstukje had opgevoerd. Er was iets in haar ogen, een soort schittering denk ik, die het harnas van de cocon waarin ik mij gewoonlijk van de buitenwereld afsluit, verpulverd had. Hullen wij onszelf, zodra we een wachtkamer binnengaan, niet onmiddellijk in een stilzwijgende ‘raak me niet aan modus’? In onszelf gekeerd staren we op de beeldschermen van onze mobieltjes, bladeren door één van de tijdschriften of staren zwijgend voor ons uit. “Goede morgen”, klinkt dan als een bezwering die ons van verdere communicatie moet vrijwaren.
Vroeger had je nog wel eens iemand die over zijn of haar kwalen begon, maar sinds het intreden van de mobiele telefoon kom je die nog maar zelden tegen. Stel je voor dat men iets zou ontdekken van wie je werkelijk bent. Je gaat nog liever dood. En dan is daar plotseling zo’n meisje van drie. Dat in staat is dit alles te doorbreken en de wachtkamer om te toveren in een echt theater met echte acteurs. Ik heb er geen naam voor. Soms kijkt een kind je aan en dan smelt je weg. Iedere weerstand en alle stoerdoenerij zijn dan als sneeuw voor de zon verdwenen. Ineens ben je weer een normaal mens met gevoelens die je zo maar durft te uiten. Zonder enige gêne ben je weer kind met de kinderen en ben je een acteur in het spel van die rare pinguïn met een rechtopstaande veer op zijn kop.

Zou Jezus dát bedoeld hebben toen Hij zei: “Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.” Mattheüs 18: 3b.

Hendrik Ido Ambacht, 27 december 2023
Pr. Visser.

ISRAËL-HAMAS

Het zal inmiddels al wel zo’n vijfendertig jaar geleden geweest zijn dat ik in een droom de oplossing van het Israëlisch/Palestijnse conflict voor m’n ogen zag ontrollen. In een heuvelachtig landschap hielden twee soldaten, elk in hun eigen loopgraaf verscholen, elkaar onder schot. Ze wisten dat, zodra één van hen zou schieten, de ander, als in een automatische reflex, ook de trekker zou overhalen. Een verlammende patstelling die slechts in elkaars vernietiging kon eindigen. Ze waren doodsbang en lieten hun aandacht geen moment verslappen. Dit duurde net zo lang totdat één van hen tot het besef kwam dat het eigenlijk helemaal niet uitmaakte. Hij kon wachten totdat hij er dood bij neer zou vallen of zich maar gelijk laten neerknallen. Hij zou het hoe dan ook nooit overleven. Hij gooide daarom demonstratief zijn geweer weg, kwam zijn loopgraaf uit en riep: “Als je perse wilt, schiet dan maar”. De andere soldaat, hierdoor totaal overrompeld, was zo blij dat hij het er levend vanaf had gebracht dat hij zijn tegenstander huilend in de armen vloog. De morele overwinnaar was de soldaat die het eerst dit duivelse dilemma durfde te doorbreken.

Waarom valt Hamas Israël aan? [de Palestijnse kwestie] – YouTube

“Een mooi verhaal, maar wel wat naïef’, was destijds de reactie. Nou dat kan wel zijn, maar het verhaal is inmiddels actueler dan ooit. Het wantrouwen tussen beide soldaten heeft in die vijfendertig jaar dusdanige proporties aangenomen dat ze niet alleen elkaar, maar ook elkaars familie, zelfs elkaars totale land dreigen uit te moorden. Gooi in die situatie je geweer nog maar eens weg! ‘Geen denken aan’. Maar hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom kon geen van die soldaten over zijn eigen schaduw heen stappen en waarom worden we nu geconfronteerd met twee verliezers in plaats van twee overwinnaars. Het antwoord ligt bij diegenen die achter elk van die soldaten staan. Dat is aan Israëlische kant de Joods/Christelijke wereld en aan Palestijnse kant de Islamitische wereld. Het is Izaäk versus Ismaël en die schijnen onverzoenbaar te zijn. De twee zonen van Abraham strijden om de berg Moria. De berg waarop beiden hun vaders liefde claimen. Mijn eigen zoon Jean-Eric heeft hier een studie van gemaakt en in een podcast legt hij uit wat de Torah, de Bijbel en de Koran hier over te zeggen hebben. Elk een beeld dat de ander uitsluit. Een podcast die het zeker waard is om eens af te luisteren. Hij kan je iets leren over de veelal onbekende standpunten van de ander. Voor mij zaten er in ieder geval wel een paar eyeopeners bij.

Maar hoe zal hun hemelse Vader dit allemaal ervaren? We proeven daar iets van in het verhaal van de ‘Verloren zoon’. Het verhaal van een oudste zoon die zijn jongere broer het licht niet in de ogen gunde en weigerde naar binnen te gaan om aan het feest deel te nemen. Hij bleef verongelijkt buiten zitten mokken en, hoewel zijn vader hem verzekerde dat alles wat hij had voor die oudste zoon was, kon hij zich niet verheugen in het feit dat zijn dood gewaande broer was teruggekeerd. Hoe opmerkelijk toepasbaar is dit verhaal eigenlijk. Het moge ons aansporen voor die oudste zoon te gaan bidden. Hem te wijzen op de vele gaven die zijn vader ook aan hem heeft gegeven. Hem te verzekeren dat zijn vader altijd bij hem is geweest en hem te leren niet afgunstig te zijn nu zijn jongere broer is teruggekeerd.

Hoe het zal aflopen weten wij echter ook. In het Nieuwe Jeruzalem dat, gebouwd op die berg Moriah, ooit uit de hemel zal neerdalen, is geen tempel. Dat wil zeggen ‘geen religie’ meer te vinden. “Omdat God zelf bij de mensen zal wonen”, staat in Openbaringen 21: 22.

Hendrik Ido Ambacht, 30 november 2023
Pr. Eric Visser.

VALLEN IN DE GEEST

Samen met de Igreja Quadrnguar van Itaim Paulista is Children Asking gastheer geweest voor een groep bevlogen Afrikaanse/Caraïbische/Nederlandse evangelische pastors die middels meerdaagse conferenties opwekking brengen. Het is een klein beetje als in Lucas 10 waar we kunnen lezen dat Jezus zeventig van zijn discipelen, twee bij twee uitzond om het Koninkrijk aan te kondigen. Hij (Jezus) gaf hen kracht om demonen uit te drijven, zieken te genezen en wonderen en tekenen te verrichten. Net als toen trekt deze ‘Glory train’ door de wereld en de Heilige Geest had hen São Paulo aangewezen als de plek waar Hij zich wilde manifesteren. Samen met onze ambassadeur in Brazilië, Richard Zevenbergen, hadden we besloten deze mensen te ontvangen en te begeleiden in hun bediening. Onze ruimte en personeel hadden wij ter beschikking gesteld en de contacten met de ons bevriende Pr. Marcus van de eerder genoemde kerk waren snel gelegd. Wonderlijk hoe het verhaal uit Lucas zich daarna letterlijk voor onze voeten ontvouwde. Het eerste wat die discipelen moesten doen, is weggaan in afhankelijkheid en hun gastheren ‘vrede’ toewensen. Vervolgens: “genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen” (HSV Luc.10:9). Nou die vrede hebben wij ervaren en de wonderen en tekenen konden dan ook niet uitblijven.

Dat begon al gelijk op de eerste avond. Velen werden aangeraakt door de Heilige Geest en, net als op de Pinksterdag, gebeurden er wonderlijke dingen. Mensen begonnen uitzinnig te juichen, te trillen, in vreemde tongen te praten en sommigen vielen spontaan op de grond. Onder hen was een meisje van, naar wat later bleek, twaalf. Ze stond te huilen alsof de wereld vergaan was. Ze schokte heen en weer en kon nauwelijks op haar benen blijven staan. Toen ik, in een troostend gebaar, mijn hand op haar hoofd legde, viel ook zij pardoes op de grond. De snel toegestroomde assistenten bedekten haar met een witte doek terwijl het trillen en het huilen onverminderd doorging. Langzaam maar zeker ging dat huilen echter over in lachen. Ze begon te hikken en de tranen in haar ogen werden vreugde tranen. Later die avond kwam ze naar me toe. “Ik wil u bedanken”, zei ze. “Bedanken? Waarvoor?, vroeg ik. “Dat u mij bij Jezus hebt gebracht. Ik ben nu zo blij. Nog nooit in mijn leven ben ik zo blij geweest. Het is alsof ik opnieuw en voor het eerst geboren ben”. Terwijl ik dit opschrijf, wellen automatisch de tranen, die toen in mijn ogen kwamen, weer bij mij op.

Even later kwamen er een paar andere meisjes naar mij toe en brachten een vriendinnetje mee. “Wilt u ook voor haar bidden”, vroegen ze. In de veronderstelling dat ook zij voor gebed om de Heilige Geest kwam, legde ik mijn handen op haar hoofd, maar nee, “dat was niet de bedoeling”, zeiden de meisjes. “Wij brengen haar bij u omdat ze genezing nodig heeft. Ze heeft een oogaandoening en kan slecht zien”. Even van m’n stuk gebracht, vermande ik me snel en legde mijn duimen op haar ogen, bad voor haar, bedekte haar ogen met mijn hand, haalde die weg en ik keek in een paar stralende ogen. “Ik kan alles weer zien”, riep ze uit. Ook een jongen met verschrikkelijk oorsuizen werd ter plekke genezen en tientallen andere mensen, waaronder veel kinderen en tieners vielen in de Geest.

Wat is dat eigenlijk, dat ‘vallen in de Geest’. Sommige christenen staan hier afwijzend, of minimaal afwachtend tegenover. Ze vertrouwen het niet helemaal. Is het wel zuiver? Nou ik kan u één dingvertellen; dat meisje viel echt. Daar was geen druppel komedie bij. Ze was zo vol met liefde van Jezus dat ze de hele wereld wel wilde omhelzen. Een gevoel zo overweldigend dat ze de controle over haar spieren verloren had en spontaan in een enorme lachbui uitbarstte. Toen ik haar vroeg of ze gedoopt wilde worden, kreeg ik als antwoord: “Ja graag!”. Ze schreeuwde het uit. Die zaterdagavond, zelf in een dooptenue gehuld, moesten de assistenten mij tegenhouden anders zou ik  zelf ook van het podium gevallen zijn. Toen ik haar in haar witte jurk zag staan, wist ik het zeker. “God heeft een bijzonder plan met jou. Jezus zal zich aan jou openbaren op een hele directe en speciale manier”, profeteerde ik na haar gedoopt te hebben. Extatisch bijna stak ze haar hand in een overwinningsgebaar omhoog. Alsof ze wilde zeggen: “Heer, hier ben ik. Zeg het maar ik ben er klaar voor”.

Toen ik afscheid nam van onze Afrikaanse pastors en pastor Marcus van de Igreja Quadranguar van Itaim Paulista in São Paulo zei ik: ”Lucas 10 heeft zich voor onze ogen voltrokken”. “Amen”, kreeg ik ten antwoord.

São Paulo (SP), 30 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN AL DIE WONDERDOENERS GEBLEVEN?

“Het is niet goed dat de mens alleen zij” (Genesis. 2:18) Op deze symbolische plek aan het Praia Vermelha (rode strand) in Rio de Janeiro heb ik, samen met onze coördinatrice voor deze staat, Ingrid Sovat, op vrijdag 29 september j.l. een Bijbelstudie gehouden. Wie zijn toch die wonderdoeners uit Mattheüs 7: 22-23 die in Jezus naam profeteren, demonen uitdrijven en zieken genezen en die desondanks eeuwig verloren zullen gaan? Een klemmende vraag, Want hier in Brazilië lopen nog al wat figuren rond die met een hoop herrie en spektakel wonderen verrichten. Mensen die kennelijk een telefoonlijn naar boven hebben en jou haar fijn weten te vertellen wat God van jou wil. Voornamelijk is dat het betalen van tienden ten behoeve van hun eigen clubkas. Met de verworven kapitalen worden dan tempels gebouwd en privéjets gekocht. Die heren moeten zich immers snel en comfortabel kunnen verplaatsen omdat elders nog duizenden op hun wonderbaarlijke genezingen zitten te wachten.

Het antwoord komt van Jezus zelf en vinden we in Mattheüs 25 vanaf vers 41 tot het einde. Het zijn die mensen die het belangrijkste gebod, ‘heb u naaste lief als uzelf’ verzaakt hebben. Mensen die niet naar hun medemens in nood hebben omgekeken, maar die uitsluitend aan hun eigen ‘koninkrijk’ hebben gebouwd. Een heel ernstige waarschuwing die wij ter harte dienen te nemen. Wat is de diepste motivatie die ons drijft bij het prediken van Jezus. Zijn wij dat zelf of lopen we, zoals op dit strand, in verbondenheid met onze naasten? De ware religie is ‘zorg voor de weduwe en wezen in nood en zichzelf rein houden voor deze op geld en macht beluste wereld’. Althans dat zegt Jezus eigen broer Jacobus hier over.

Toen ik dit verhaal aan een, eveneens in Brazilië werkzame, collega voorhield, en om een reactie vroeg kreeg ik het volgende antwoord. “Altijd al was het een grote verleiding voor de kerk in Brazilië om zich in te laten met welke vorm van magie dan ook…. de katholieke kerk met haar mystieke en spiritistische invloeden. Het volk is gevoelig voor de mooie dingen van God, maar spiegeltjes en kralen trekken meer mensen… een verkeerde vorm van ‘succes’…. ik zie kerken ten onder gaan door hun ‘succes’ een soort wedstrijd wie God het meest voor hun karretje kan spannen. Maar niet alleen in Brazilië…..”

Een bevestiging van mijn zorgen rondom de zuiverheid van sommige Braziliaanse mega-kerken. Veelzeggender zijn echter de puntjes achter de zin: “Maar niet alleen in Brazilië…..”. Wereldwijd, en Nederland vormt daar beslist geen uitzondering op, zie je dat men de “spiegeltjes en de kralen” van het geloof achterna holt. De leuke dingen zijn populair en dat trekt massa’s mensen aan. Iedereen wil wel genezing, iedereen wil wel een dijk van een band waarvan je uit je dak gaat en iedereen is nieuwsgierig naar de toekomst en bovennatuurlijke zaken. Maar is dit wel het geloof dat Jezus Christus predikte? In Mattheus 4: 17 zegt Hij iets totaal anders, namelijk: “Bekeer u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij”. Bekeren is ‘je omdraaien’ oftewel ‘de weg waarop je loopt verlaten en een andere richting inslaan’. Nou dat doen we niet door ons met deze spiegeltjes en kralen een emotionele boost te geven. Dat stimuleert eerder het tegendeel.

Bestaan die ‘mooie dingen van God’ dan soms niet, of mogen we er dan niet naar verlangen? Ze bestaan wel degelijk en je mag er ook best naar verlangen. Wat we echter in deze consumptiemaatschappij vergeten zijn, is het feit dat in Markus 16 staat: “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: ….” Volgen, dat wil zeggen ze zullen het gevolg zijn en niet het doel van ons geloof. Dat doel is ‘Jezus volgen, radicaal’. Zie hier het thema van de serie preken die ik de komende periode Braziliëwijd en elders zal gaan houden.

Hendrik Ido Ambacht, 1 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR GAAN WE NAARTOE?

Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023

Het aantal soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen) onder jongeren stijgt schrikbarend. Daarom hebben de GGD’s (overheidsinstellingen van Gemeentelijke Gezondheidsdiensten) van een aantal studentensteden besloten om tijdens de introductieweken gratis condooms uit te reiken. Zij doen dat onder het motto: “Geef liefde. Geen soa”. Een uiterst dubieuze slogan die er van getuigt dat men er tegenwoordig vreemde opvattingen over het begrip liefde op na houdt. Een zelfde misvatting die tijdens de Canal Parade in Amsterdam zichtbaar werd. Ook daar werden de boten, opgeluisterd met in ondergoed dansende mensen, die naar “liefde-verwijzende” teksten met zich meevoerden. Ook hier werd seksualiteit gelijkgesteld aan het begrip “liefde”. Ik zal hier geen poging doen om uit te leggen wat liefde is. Daar zijn al boeken vol over geschreven en zowel de Bijbel als seculiere boeken geven daar een beeld van dat ver uitstijgt boven de dierlijke, vaak perverse, seksuele verlangens die de GGD en de LHBTIQ+-beweging hieraan toedicht. Om nu eens niet naar de Bijbel te verwijzen; Romeo en Julia hadden wel iets meer dan alleen maar seksuele behoeftes. En om nog even verder terug te gaan in de wereldliteratuur; Floris uit Floris ende Blancefloer van Diederik van Assenede (de eerste, in het Diets geschreven, Nederlandstalige roman uit 1230), waagt niet alleen vanwege zijn seksuele aberraties zijn leven om zijn geliefde uit de harem van een sultan te redden. Als hij ontdekt wordt, worden zijn oprechte gevoelens door de sultan herkend en schenkt hij hen beide gratie. Kortom de woorden die Paulus in 1 Corinthiërs 13 aan de liefde wijdt, staan niet op zichzelf. Het is een samenvatting van wat wereldwijd gezien wordt als de liefde zoals die door God in de schepping is gelegd.

Als ik bedenk dat mijn, nu negenjarige geadopteerde kleindochter over nog eens negen jaar in deze
studentenwereld geïntroduceerd moet worden, dan ontvlam ik van woede bij de gedachte dat haar
lichaam straks geofferd moet gaan worden op de altaren van een volkomen verloederde wereld. Niets van respect, geen liefde, geen zorgzaamheid en al helemaal geen opofferingsgezindheid is er in de slogan: “Geef liefde. Geen soa”, te bespeuren. Slechts een kortstondige zelfbevrediging, liefst zonder consequenties, is wat men de jeugd te bieden heeft. Het is daarom, om haar en al haar leeftijdgenootjes te beschermen dat wij haar opvoeden met de waarden die de zeven Bijbelse
principes ons leren. In de in de schepping vastgelegde waarden zoals: 1) onafhankelijkheid, 2)
verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023 oogsten, ligt hun anker voor een leven in harmonie met God en hun naasten. Niet in een condoom dat hen moet beschermen tegen de gevolgen van een verloederde seksualiteit.

Hendrik Ido Ambacht, 14 augustus 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

ISRAËL-HAMAS

Het zal inmiddels al wel zo’n vijfendertig jaar geleden geweest zijn dat ik in een droom de oplossing van het Israëlisch/Palestijnse conflict voor m’n ogen zag ontrollen. In een heuvelachtig landschap hielden twee soldaten, elk in hun eigen loopgraaf verscholen, elkaar onder schot. Ze wisten dat, zodra één van hen zou schieten, de ander, als in een automatische reflex, ook de trekker zou overhalen. Een verlammende patstelling die slechts in elkaars vernietiging kon eindigen. Ze waren doodsbang en lieten hun aandacht geen moment verslappen. Dit duurde net zo lang totdat één van hen tot het besef kwam dat het eigenlijk helemaal niet uitmaakte. Hij kon wachten totdat hij er dood bij neer zou vallen of zich maar gelijk laten neerknallen. Hij zou het hoe dan ook nooit overleven. Hij gooide daarom demonstratief zijn geweer weg, kwam zijn loopgraaf uit en riep: “Als je perse wilt, schiet dan maar”. De andere soldaat, hierdoor totaal overrompeld, was zo blij dat hij het er levend vanaf had gebracht dat hij zijn tegenstander huilend in de armen vloog. De morele overwinnaar was de soldaat die het eerst dit duivelse dilemma durfde te doorbreken.

Waarom valt Hamas Israël aan? [de Palestijnse kwestie] – YouTube

“Een mooi verhaal, maar wel wat naïef’, was destijds de reactie. Nou dat kan wel zijn, maar het verhaal is inmiddels actueler dan ooit. Het wantrouwen tussen beide soldaten heeft in die vijfendertig jaar dusdanige proporties aangenomen dat ze niet alleen elkaar, maar ook elkaars familie, zelfs elkaars totale land dreigen uit te moorden. Gooi in die situatie je geweer nog maar eens weg! ‘Geen denken aan’. Maar hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom kon geen van die soldaten over zijn eigen schaduw heen stappen en waarom worden we nu geconfronteerd met twee verliezers in plaats van twee overwinnaars. Het antwoord ligt bij diegenen die achter elk van die soldaten staan. Dat is aan Israëlische kant de Joods/Christelijke wereld en aan Palestijnse kant de Islamitische wereld. Het is Izaäk versus Ismaël en die schijnen onverzoenbaar te zijn. De twee zonen van Abraham strijden om de berg Moria. De berg waarop beiden hun vaders liefde claimen. Mijn eigen zoon Jean-Eric heeft hier een studie van gemaakt en in een podcast legt hij uit wat de Torah, de Bijbel en de Koran hier over te zeggen hebben. Elk een beeld dat de ander uitsluit. Een podcast die het zeker waard is om eens af te luisteren. Hij kan je iets leren over de veelal onbekende standpunten van de ander. Voor mij zaten er in ieder geval wel een paar eyeopeners bij.

Maar hoe zal hun hemelse Vader dit allemaal ervaren? We proeven daar iets van in het verhaal van de ‘Verloren zoon’. Het verhaal van een oudste zoon die zijn jongere broer het licht niet in de ogen gunde en weigerde naar binnen te gaan om aan het feest deel te nemen. Hij bleef verongelijkt buiten zitten mokken en, hoewel zijn vader hem verzekerde dat alles wat hij had voor die oudste zoon was, kon hij zich niet verheugen in het feit dat zijn dood gewaande broer was teruggekeerd. Hoe opmerkelijk toepasbaar is dit verhaal eigenlijk. Het moge ons aansporen voor die oudste zoon te gaan bidden. Hem te wijzen op de vele gaven die zijn vader ook aan hem heeft gegeven. Hem te verzekeren dat zijn vader altijd bij hem is geweest en hem te leren niet afgunstig te zijn nu zijn jongere broer is teruggekeerd.

Hoe het zal aflopen weten wij echter ook. In het Nieuwe Jeruzalem dat, gebouwd op die berg Moriah, ooit uit de hemel zal neerdalen, is geen tempel. Dat wil zeggen ‘geen religie’ meer te vinden. “Omdat God zelf bij de mensen zal wonen”, staat in Openbaringen 21: 22.

Hendrik Ido Ambacht, 30 november 2023
Pr. Eric Visser.

VALLEN IN DE GEEST

Samen met de Igreja Quadrnguar van Itaim Paulista is Children Asking gastheer geweest voor een groep bevlogen Afrikaanse/Caraïbische/Nederlandse evangelische pastors die middels meerdaagse conferenties opwekking brengen. Het is een klein beetje als in Lucas 10 waar we kunnen lezen dat Jezus zeventig van zijn discipelen, twee bij twee uitzond om het Koninkrijk aan te kondigen. Hij (Jezus) gaf hen kracht om demonen uit te drijven, zieken te genezen en wonderen en tekenen te verrichten. Net als toen trekt deze ‘Glory train’ door de wereld en de Heilige Geest had hen São Paulo aangewezen als de plek waar Hij zich wilde manifesteren. Samen met onze ambassadeur in Brazilië, Richard Zevenbergen, hadden we besloten deze mensen te ontvangen en te begeleiden in hun bediening. Onze ruimte en personeel hadden wij ter beschikking gesteld en de contacten met de ons bevriende Pr. Marcus van de eerder genoemde kerk waren snel gelegd. Wonderlijk hoe het verhaal uit Lucas zich daarna letterlijk voor onze voeten ontvouwde. Het eerste wat die discipelen moesten doen, is weggaan in afhankelijkheid en hun gastheren ‘vrede’ toewensen. Vervolgens: “genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen” (HSV Luc.10:9). Nou die vrede hebben wij ervaren en de wonderen en tekenen konden dan ook niet uitblijven.

Dat begon al gelijk op de eerste avond. Velen werden aangeraakt door de Heilige Geest en, net als op de Pinksterdag, gebeurden er wonderlijke dingen. Mensen begonnen uitzinnig te juichen, te trillen, in vreemde tongen te praten en sommigen vielen spontaan op de grond. Onder hen was een meisje van, naar wat later bleek, twaalf. Ze stond te huilen alsof de wereld vergaan was. Ze schokte heen en weer en kon nauwelijks op haar benen blijven staan. Toen ik, in een troostend gebaar, mijn hand op haar hoofd legde, viel ook zij pardoes op de grond. De snel toegestroomde assistenten bedekten haar met een witte doek terwijl het trillen en het huilen onverminderd doorging. Langzaam maar zeker ging dat huilen echter over in lachen. Ze begon te hikken en de tranen in haar ogen werden vreugde tranen. Later die avond kwam ze naar me toe. “Ik wil u bedanken”, zei ze. “Bedanken? Waarvoor?, vroeg ik. “Dat u mij bij Jezus hebt gebracht. Ik ben nu zo blij. Nog nooit in mijn leven ben ik zo blij geweest. Het is alsof ik opnieuw en voor het eerst geboren ben”. Terwijl ik dit opschrijf, wellen automatisch de tranen, die toen in mijn ogen kwamen, weer bij mij op.

Even later kwamen er een paar andere meisjes naar mij toe en brachten een vriendinnetje mee. “Wilt u ook voor haar bidden”, vroegen ze. In de veronderstelling dat ook zij voor gebed om de Heilige Geest kwam, legde ik mijn handen op haar hoofd, maar nee, “dat was niet de bedoeling”, zeiden de meisjes. “Wij brengen haar bij u omdat ze genezing nodig heeft. Ze heeft een oogaandoening en kan slecht zien”. Even van m’n stuk gebracht, vermande ik me snel en legde mijn duimen op haar ogen, bad voor haar, bedekte haar ogen met mijn hand, haalde die weg en ik keek in een paar stralende ogen. “Ik kan alles weer zien”, riep ze uit. Ook een jongen met verschrikkelijk oorsuizen werd ter plekke genezen en tientallen andere mensen, waaronder veel kinderen en tieners vielen in de Geest.

Wat is dat eigenlijk, dat ‘vallen in de Geest’. Sommige christenen staan hier afwijzend, of minimaal afwachtend tegenover. Ze vertrouwen het niet helemaal. Is het wel zuiver? Nou ik kan u één dingvertellen; dat meisje viel echt. Daar was geen druppel komedie bij. Ze was zo vol met liefde van Jezus dat ze de hele wereld wel wilde omhelzen. Een gevoel zo overweldigend dat ze de controle over haar spieren verloren had en spontaan in een enorme lachbui uitbarstte. Toen ik haar vroeg of ze gedoopt wilde worden, kreeg ik als antwoord: “Ja graag!”. Ze schreeuwde het uit. Die zaterdagavond, zelf in een dooptenue gehuld, moesten de assistenten mij tegenhouden anders zou ik  zelf ook van het podium gevallen zijn. Toen ik haar in haar witte jurk zag staan, wist ik het zeker. “God heeft een bijzonder plan met jou. Jezus zal zich aan jou openbaren op een hele directe en speciale manier”, profeteerde ik na haar gedoopt te hebben. Extatisch bijna stak ze haar hand in een overwinningsgebaar omhoog. Alsof ze wilde zeggen: “Heer, hier ben ik. Zeg het maar ik ben er klaar voor”.

Toen ik afscheid nam van onze Afrikaanse pastors en pastor Marcus van de Igreja Quadranguar van Itaim Paulista in São Paulo zei ik: ”Lucas 10 heeft zich voor onze ogen voltrokken”. “Amen”, kreeg ik ten antwoord.

São Paulo (SP), 30 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN AL DIE WONDERDOENERS GEBLEVEN?

“Het is niet goed dat de mens alleen zij” (Genesis. 2:18) Op deze symbolische plek aan het Praia Vermelha (rode strand) in Rio de Janeiro heb ik, samen met onze coördinatrice voor deze staat, Ingrid Sovat, op vrijdag 29 september j.l. een Bijbelstudie gehouden. Wie zijn toch die wonderdoeners uit Mattheüs 7: 22-23 die in Jezus naam profeteren, demonen uitdrijven en zieken genezen en die desondanks eeuwig verloren zullen gaan? Een klemmende vraag, Want hier in Brazilië lopen nog al wat figuren rond die met een hoop herrie en spektakel wonderen verrichten. Mensen die kennelijk een telefoonlijn naar boven hebben en jou haar fijn weten te vertellen wat God van jou wil. Voornamelijk is dat het betalen van tienden ten behoeve van hun eigen clubkas. Met de verworven kapitalen worden dan tempels gebouwd en privéjets gekocht. Die heren moeten zich immers snel en comfortabel kunnen verplaatsen omdat elders nog duizenden op hun wonderbaarlijke genezingen zitten te wachten.

Het antwoord komt van Jezus zelf en vinden we in Mattheüs 25 vanaf vers 41 tot het einde. Het zijn die mensen die het belangrijkste gebod, ‘heb u naaste lief als uzelf’ verzaakt hebben. Mensen die niet naar hun medemens in nood hebben omgekeken, maar die uitsluitend aan hun eigen ‘koninkrijk’ hebben gebouwd. Een heel ernstige waarschuwing die wij ter harte dienen te nemen. Wat is de diepste motivatie die ons drijft bij het prediken van Jezus. Zijn wij dat zelf of lopen we, zoals op dit strand, in verbondenheid met onze naasten? De ware religie is ‘zorg voor de weduwe en wezen in nood en zichzelf rein houden voor deze op geld en macht beluste wereld’. Althans dat zegt Jezus eigen broer Jacobus hier over.

Toen ik dit verhaal aan een, eveneens in Brazilië werkzame, collega voorhield, en om een reactie vroeg kreeg ik het volgende antwoord. “Altijd al was het een grote verleiding voor de kerk in Brazilië om zich in te laten met welke vorm van magie dan ook…. de katholieke kerk met haar mystieke en spiritistische invloeden. Het volk is gevoelig voor de mooie dingen van God, maar spiegeltjes en kralen trekken meer mensen… een verkeerde vorm van ‘succes’…. ik zie kerken ten onder gaan door hun ‘succes’ een soort wedstrijd wie God het meest voor hun karretje kan spannen. Maar niet alleen in Brazilië…..”

Een bevestiging van mijn zorgen rondom de zuiverheid van sommige Braziliaanse mega-kerken. Veelzeggender zijn echter de puntjes achter de zin: “Maar niet alleen in Brazilië…..”. Wereldwijd, en Nederland vormt daar beslist geen uitzondering op, zie je dat men de “spiegeltjes en de kralen” van het geloof achterna holt. De leuke dingen zijn populair en dat trekt massa’s mensen aan. Iedereen wil wel genezing, iedereen wil wel een dijk van een band waarvan je uit je dak gaat en iedereen is nieuwsgierig naar de toekomst en bovennatuurlijke zaken. Maar is dit wel het geloof dat Jezus Christus predikte? In Mattheus 4: 17 zegt Hij iets totaal anders, namelijk: “Bekeer u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij”. Bekeren is ‘je omdraaien’ oftewel ‘de weg waarop je loopt verlaten en een andere richting inslaan’. Nou dat doen we niet door ons met deze spiegeltjes en kralen een emotionele boost te geven. Dat stimuleert eerder het tegendeel.

Bestaan die ‘mooie dingen van God’ dan soms niet, of mogen we er dan niet naar verlangen? Ze bestaan wel degelijk en je mag er ook best naar verlangen. Wat we echter in deze consumptiemaatschappij vergeten zijn, is het feit dat in Markus 16 staat: “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: ….” Volgen, dat wil zeggen ze zullen het gevolg zijn en niet het doel van ons geloof. Dat doel is ‘Jezus volgen, radicaal’. Zie hier het thema van de serie preken die ik de komende periode Braziliëwijd en elders zal gaan houden.

Hendrik Ido Ambacht, 1 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR GAAN WE NAARTOE?

Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023

Het aantal soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen) onder jongeren stijgt schrikbarend. Daarom hebben de GGD’s (overheidsinstellingen van Gemeentelijke Gezondheidsdiensten) van een aantal studentensteden besloten om tijdens de introductieweken gratis condooms uit te reiken. Zij doen dat onder het motto: “Geef liefde. Geen soa”. Een uiterst dubieuze slogan die er van getuigt dat men er tegenwoordig vreemde opvattingen over het begrip liefde op na houdt. Een zelfde misvatting die tijdens de Canal Parade in Amsterdam zichtbaar werd. Ook daar werden de boten, opgeluisterd met in ondergoed dansende mensen, die naar “liefde-verwijzende” teksten met zich meevoerden. Ook hier werd seksualiteit gelijkgesteld aan het begrip “liefde”. Ik zal hier geen poging doen om uit te leggen wat liefde is. Daar zijn al boeken vol over geschreven en zowel de Bijbel als seculiere boeken geven daar een beeld van dat ver uitstijgt boven de dierlijke, vaak perverse, seksuele verlangens die de GGD en de LHBTIQ+-beweging hieraan toedicht. Om nu eens niet naar de Bijbel te verwijzen; Romeo en Julia hadden wel iets meer dan alleen maar seksuele behoeftes. En om nog even verder terug te gaan in de wereldliteratuur; Floris uit Floris ende Blancefloer van Diederik van Assenede (de eerste, in het Diets geschreven, Nederlandstalige roman uit 1230), waagt niet alleen vanwege zijn seksuele aberraties zijn leven om zijn geliefde uit de harem van een sultan te redden. Als hij ontdekt wordt, worden zijn oprechte gevoelens door de sultan herkend en schenkt hij hen beide gratie. Kortom de woorden die Paulus in 1 Corinthiërs 13 aan de liefde wijdt, staan niet op zichzelf. Het is een samenvatting van wat wereldwijd gezien wordt als de liefde zoals die door God in de schepping is gelegd.

Als ik bedenk dat mijn, nu negenjarige geadopteerde kleindochter over nog eens negen jaar in deze
studentenwereld geïntroduceerd moet worden, dan ontvlam ik van woede bij de gedachte dat haar
lichaam straks geofferd moet gaan worden op de altaren van een volkomen verloederde wereld. Niets van respect, geen liefde, geen zorgzaamheid en al helemaal geen opofferingsgezindheid is er in de slogan: “Geef liefde. Geen soa”, te bespeuren. Slechts een kortstondige zelfbevrediging, liefst zonder consequenties, is wat men de jeugd te bieden heeft. Het is daarom, om haar en al haar leeftijdgenootjes te beschermen dat wij haar opvoeden met de waarden die de zeven Bijbelse
principes ons leren. In de in de schepping vastgelegde waarden zoals: 1) onafhankelijkheid, 2)
verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023 oogsten, ligt hun anker voor een leven in harmonie met God en hun naasten. Niet in een condoom dat hen moet beschermen tegen de gevolgen van een verloederde seksualiteit.

Hendrik Ido Ambacht, 14 augustus 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

VALLEN IN DE GEEST

Samen met de Igreja Quadrnguar van Itaim Paulista is Children Asking gastheer geweest voor een groep bevlogen Afrikaanse/Caraïbische/Nederlandse evangelische pastors die middels meerdaagse conferenties opwekking brengen. Het is een klein beetje als in Lucas 10 waar we kunnen lezen dat Jezus zeventig van zijn discipelen, twee bij twee uitzond om het Koninkrijk aan te kondigen. Hij (Jezus) gaf hen kracht om demonen uit te drijven, zieken te genezen en wonderen en tekenen te verrichten. Net als toen trekt deze ‘Glory train’ door de wereld en de Heilige Geest had hen São Paulo aangewezen als de plek waar Hij zich wilde manifesteren. Samen met onze ambassadeur in Brazilië, Richard Zevenbergen, hadden we besloten deze mensen te ontvangen en te begeleiden in hun bediening. Onze ruimte en personeel hadden wij ter beschikking gesteld en de contacten met de ons bevriende Pr. Marcus van de eerder genoemde kerk waren snel gelegd. Wonderlijk hoe het verhaal uit Lucas zich daarna letterlijk voor onze voeten ontvouwde. Het eerste wat die discipelen moesten doen, is weggaan in afhankelijkheid en hun gastheren ‘vrede’ toewensen. Vervolgens: “genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen” (HSV Luc.10:9). Nou die vrede hebben wij ervaren en de wonderen en tekenen konden dan ook niet uitblijven.

Dat begon al gelijk op de eerste avond. Velen werden aangeraakt door de Heilige Geest en, net als op de Pinksterdag, gebeurden er wonderlijke dingen. Mensen begonnen uitzinnig te juichen, te trillen, in vreemde tongen te praten en sommigen vielen spontaan op de grond. Onder hen was een meisje van, naar wat later bleek, twaalf. Ze stond te huilen alsof de wereld vergaan was. Ze schokte heen en weer en kon nauwelijks op haar benen blijven staan. Toen ik, in een troostend gebaar, mijn hand op haar hoofd legde, viel ook zij pardoes op de grond. De snel toegestroomde assistenten bedekten haar met een witte doek terwijl het trillen en het huilen onverminderd doorging. Langzaam maar zeker ging dat huilen echter over in lachen. Ze begon te hikken en de tranen in haar ogen werden vreugde tranen. Later die avond kwam ze naar me toe. “Ik wil u bedanken”, zei ze. “Bedanken? Waarvoor?, vroeg ik. “Dat u mij bij Jezus hebt gebracht. Ik ben nu zo blij. Nog nooit in mijn leven ben ik zo blij geweest. Het is alsof ik opnieuw en voor het eerst geboren ben”. Terwijl ik dit opschrijf, wellen automatisch de tranen, die toen in mijn ogen kwamen, weer bij mij op.

Even later kwamen er een paar andere meisjes naar mij toe en brachten een vriendinnetje mee. “Wilt u ook voor haar bidden”, vroegen ze. In de veronderstelling dat ook zij voor gebed om de Heilige Geest kwam, legde ik mijn handen op haar hoofd, maar nee, “dat was niet de bedoeling”, zeiden de meisjes. “Wij brengen haar bij u omdat ze genezing nodig heeft. Ze heeft een oogaandoening en kan slecht zien”. Even van m’n stuk gebracht, vermande ik me snel en legde mijn duimen op haar ogen, bad voor haar, bedekte haar ogen met mijn hand, haalde die weg en ik keek in een paar stralende ogen. “Ik kan alles weer zien”, riep ze uit. Ook een jongen met verschrikkelijk oorsuizen werd ter plekke genezen en tientallen andere mensen, waaronder veel kinderen en tieners vielen in de Geest.

Wat is dat eigenlijk, dat ‘vallen in de Geest’. Sommige christenen staan hier afwijzend, of minimaal afwachtend tegenover. Ze vertrouwen het niet helemaal. Is het wel zuiver? Nou ik kan u één dingvertellen; dat meisje viel echt. Daar was geen druppel komedie bij. Ze was zo vol met liefde van Jezus dat ze de hele wereld wel wilde omhelzen. Een gevoel zo overweldigend dat ze de controle over haar spieren verloren had en spontaan in een enorme lachbui uitbarstte. Toen ik haar vroeg of ze gedoopt wilde worden, kreeg ik als antwoord: “Ja graag!”. Ze schreeuwde het uit. Die zaterdagavond, zelf in een dooptenue gehuld, moesten de assistenten mij tegenhouden anders zou ik  zelf ook van het podium gevallen zijn. Toen ik haar in haar witte jurk zag staan, wist ik het zeker. “God heeft een bijzonder plan met jou. Jezus zal zich aan jou openbaren op een hele directe en speciale manier”, profeteerde ik na haar gedoopt te hebben. Extatisch bijna stak ze haar hand in een overwinningsgebaar omhoog. Alsof ze wilde zeggen: “Heer, hier ben ik. Zeg het maar ik ben er klaar voor”.

Toen ik afscheid nam van onze Afrikaanse pastors en pastor Marcus van de Igreja Quadranguar van Itaim Paulista in São Paulo zei ik: ”Lucas 10 heeft zich voor onze ogen voltrokken”. “Amen”, kreeg ik ten antwoord.

São Paulo (SP), 30 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN AL DIE WONDERDOENERS GEBLEVEN?

“Het is niet goed dat de mens alleen zij” (Genesis. 2:18) Op deze symbolische plek aan het Praia Vermelha (rode strand) in Rio de Janeiro heb ik, samen met onze coördinatrice voor deze staat, Ingrid Sovat, op vrijdag 29 september j.l. een Bijbelstudie gehouden. Wie zijn toch die wonderdoeners uit Mattheüs 7: 22-23 die in Jezus naam profeteren, demonen uitdrijven en zieken genezen en die desondanks eeuwig verloren zullen gaan? Een klemmende vraag, Want hier in Brazilië lopen nog al wat figuren rond die met een hoop herrie en spektakel wonderen verrichten. Mensen die kennelijk een telefoonlijn naar boven hebben en jou haar fijn weten te vertellen wat God van jou wil. Voornamelijk is dat het betalen van tienden ten behoeve van hun eigen clubkas. Met de verworven kapitalen worden dan tempels gebouwd en privéjets gekocht. Die heren moeten zich immers snel en comfortabel kunnen verplaatsen omdat elders nog duizenden op hun wonderbaarlijke genezingen zitten te wachten.

Het antwoord komt van Jezus zelf en vinden we in Mattheüs 25 vanaf vers 41 tot het einde. Het zijn die mensen die het belangrijkste gebod, ‘heb u naaste lief als uzelf’ verzaakt hebben. Mensen die niet naar hun medemens in nood hebben omgekeken, maar die uitsluitend aan hun eigen ‘koninkrijk’ hebben gebouwd. Een heel ernstige waarschuwing die wij ter harte dienen te nemen. Wat is de diepste motivatie die ons drijft bij het prediken van Jezus. Zijn wij dat zelf of lopen we, zoals op dit strand, in verbondenheid met onze naasten? De ware religie is ‘zorg voor de weduwe en wezen in nood en zichzelf rein houden voor deze op geld en macht beluste wereld’. Althans dat zegt Jezus eigen broer Jacobus hier over.

Toen ik dit verhaal aan een, eveneens in Brazilië werkzame, collega voorhield, en om een reactie vroeg kreeg ik het volgende antwoord. “Altijd al was het een grote verleiding voor de kerk in Brazilië om zich in te laten met welke vorm van magie dan ook…. de katholieke kerk met haar mystieke en spiritistische invloeden. Het volk is gevoelig voor de mooie dingen van God, maar spiegeltjes en kralen trekken meer mensen… een verkeerde vorm van ‘succes’…. ik zie kerken ten onder gaan door hun ‘succes’ een soort wedstrijd wie God het meest voor hun karretje kan spannen. Maar niet alleen in Brazilië…..”

Een bevestiging van mijn zorgen rondom de zuiverheid van sommige Braziliaanse mega-kerken. Veelzeggender zijn echter de puntjes achter de zin: “Maar niet alleen in Brazilië…..”. Wereldwijd, en Nederland vormt daar beslist geen uitzondering op, zie je dat men de “spiegeltjes en de kralen” van het geloof achterna holt. De leuke dingen zijn populair en dat trekt massa’s mensen aan. Iedereen wil wel genezing, iedereen wil wel een dijk van een band waarvan je uit je dak gaat en iedereen is nieuwsgierig naar de toekomst en bovennatuurlijke zaken. Maar is dit wel het geloof dat Jezus Christus predikte? In Mattheus 4: 17 zegt Hij iets totaal anders, namelijk: “Bekeer u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij”. Bekeren is ‘je omdraaien’ oftewel ‘de weg waarop je loopt verlaten en een andere richting inslaan’. Nou dat doen we niet door ons met deze spiegeltjes en kralen een emotionele boost te geven. Dat stimuleert eerder het tegendeel.

Bestaan die ‘mooie dingen van God’ dan soms niet, of mogen we er dan niet naar verlangen? Ze bestaan wel degelijk en je mag er ook best naar verlangen. Wat we echter in deze consumptiemaatschappij vergeten zijn, is het feit dat in Markus 16 staat: “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: ….” Volgen, dat wil zeggen ze zullen het gevolg zijn en niet het doel van ons geloof. Dat doel is ‘Jezus volgen, radicaal’. Zie hier het thema van de serie preken die ik de komende periode Braziliëwijd en elders zal gaan houden.

Hendrik Ido Ambacht, 1 oktober 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR GAAN WE NAARTOE?

Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023

Het aantal soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen) onder jongeren stijgt schrikbarend. Daarom hebben de GGD’s (overheidsinstellingen van Gemeentelijke Gezondheidsdiensten) van een aantal studentensteden besloten om tijdens de introductieweken gratis condooms uit te reiken. Zij doen dat onder het motto: “Geef liefde. Geen soa”. Een uiterst dubieuze slogan die er van getuigt dat men er tegenwoordig vreemde opvattingen over het begrip liefde op na houdt. Een zelfde misvatting die tijdens de Canal Parade in Amsterdam zichtbaar werd. Ook daar werden de boten, opgeluisterd met in ondergoed dansende mensen, die naar “liefde-verwijzende” teksten met zich meevoerden. Ook hier werd seksualiteit gelijkgesteld aan het begrip “liefde”. Ik zal hier geen poging doen om uit te leggen wat liefde is. Daar zijn al boeken vol over geschreven en zowel de Bijbel als seculiere boeken geven daar een beeld van dat ver uitstijgt boven de dierlijke, vaak perverse, seksuele verlangens die de GGD en de LHBTIQ+-beweging hieraan toedicht. Om nu eens niet naar de Bijbel te verwijzen; Romeo en Julia hadden wel iets meer dan alleen maar seksuele behoeftes. En om nog even verder terug te gaan in de wereldliteratuur; Floris uit Floris ende Blancefloer van Diederik van Assenede (de eerste, in het Diets geschreven, Nederlandstalige roman uit 1230), waagt niet alleen vanwege zijn seksuele aberraties zijn leven om zijn geliefde uit de harem van een sultan te redden. Als hij ontdekt wordt, worden zijn oprechte gevoelens door de sultan herkend en schenkt hij hen beide gratie. Kortom de woorden die Paulus in 1 Corinthiërs 13 aan de liefde wijdt, staan niet op zichzelf. Het is een samenvatting van wat wereldwijd gezien wordt als de liefde zoals die door God in de schepping is gelegd.

Als ik bedenk dat mijn, nu negenjarige geadopteerde kleindochter over nog eens negen jaar in deze
studentenwereld geïntroduceerd moet worden, dan ontvlam ik van woede bij de gedachte dat haar
lichaam straks geofferd moet gaan worden op de altaren van een volkomen verloederde wereld. Niets van respect, geen liefde, geen zorgzaamheid en al helemaal geen opofferingsgezindheid is er in de slogan: “Geef liefde. Geen soa”, te bespeuren. Slechts een kortstondige zelfbevrediging, liefst zonder consequenties, is wat men de jeugd te bieden heeft. Het is daarom, om haar en al haar leeftijdgenootjes te beschermen dat wij haar opvoeden met de waarden die de zeven Bijbelse
principes ons leren. In de in de schepping vastgelegde waarden zoals: 1) onafhankelijkheid, 2)
verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023 oogsten, ligt hun anker voor een leven in harmonie met God en hun naasten. Niet in een condoom dat hen moet beschermen tegen de gevolgen van een verloederde seksualiteit.

Hendrik Ido Ambacht, 14 augustus 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

WAAR GAAN WE NAARTOE?

Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023

Het aantal soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen) onder jongeren stijgt schrikbarend. Daarom hebben de GGD’s (overheidsinstellingen van Gemeentelijke Gezondheidsdiensten) van een aantal studentensteden besloten om tijdens de introductieweken gratis condooms uit te reiken. Zij doen dat onder het motto: “Geef liefde. Geen soa”. Een uiterst dubieuze slogan die er van getuigt dat men er tegenwoordig vreemde opvattingen over het begrip liefde op na houdt. Een zelfde misvatting die tijdens de Canal Parade in Amsterdam zichtbaar werd. Ook daar werden de boten, opgeluisterd met in ondergoed dansende mensen, die naar “liefde-verwijzende” teksten met zich meevoerden. Ook hier werd seksualiteit gelijkgesteld aan het begrip “liefde”. Ik zal hier geen poging doen om uit te leggen wat liefde is. Daar zijn al boeken vol over geschreven en zowel de Bijbel als seculiere boeken geven daar een beeld van dat ver uitstijgt boven de dierlijke, vaak perverse, seksuele verlangens die de GGD en de LHBTIQ+-beweging hieraan toedicht. Om nu eens niet naar de Bijbel te verwijzen; Romeo en Julia hadden wel iets meer dan alleen maar seksuele behoeftes. En om nog even verder terug te gaan in de wereldliteratuur; Floris uit Floris ende Blancefloer van Diederik van Assenede (de eerste, in het Diets geschreven, Nederlandstalige roman uit 1230), waagt niet alleen vanwege zijn seksuele aberraties zijn leven om zijn geliefde uit de harem van een sultan te redden. Als hij ontdekt wordt, worden zijn oprechte gevoelens door de sultan herkend en schenkt hij hen beide gratie. Kortom de woorden die Paulus in 1 Corinthiërs 13 aan de liefde wijdt, staan niet op zichzelf. Het is een samenvatting van wat wereldwijd gezien wordt als de liefde zoals die door God in de schepping is gelegd.

Als ik bedenk dat mijn, nu negenjarige geadopteerde kleindochter over nog eens negen jaar in deze
studentenwereld geïntroduceerd moet worden, dan ontvlam ik van woede bij de gedachte dat haar
lichaam straks geofferd moet gaan worden op de altaren van een volkomen verloederde wereld. Niets van respect, geen liefde, geen zorgzaamheid en al helemaal geen opofferingsgezindheid is er in de slogan: “Geef liefde. Geen soa”, te bespeuren. Slechts een kortstondige zelfbevrediging, liefst zonder consequenties, is wat men de jeugd te bieden heeft. Het is daarom, om haar en al haar leeftijdgenootjes te beschermen dat wij haar opvoeden met de waarden die de zeven Bijbelse
principes ons leren. In de in de schepping vastgelegde waarden zoals: 1) onafhankelijkheid, 2)
verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en Condoom-uitreiking door de GGD tijdens de introductieweken 2023 oogsten, ligt hun anker voor een leven in harmonie met God en hun naasten. Niet in een condoom dat hen moet beschermen tegen de gevolgen van een verloederde seksualiteit.

Hendrik Ido Ambacht, 14 augustus 2023
Pr. Eric Visser.

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

WAAR ZIJN DE SCYTHEN GEBLEVEN?

De Scythen waren vanuit Centraal-Azië ten noorden van de Zwarte Zee gaan wonen

 In mijn vorige blog van  april 2023 vergeleek ik het ‘oorlog-voeren’ uit het Oude Testament (David met zijn  veldheer Joab tegen de Ammonieten) met de huidige oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Was oorlog in Davids dagen een min of meer ‘normale’ situatie die gelijke tred hield met de seizoenen, in onze dagen is het een uitzonderingssituatie die we eigenlijk niet meer accepteren. Ik stelde de retorische vraag: ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’

Vandaag werd ik bij het bestuderen van de Bijbel onverwacht toch weer een keer geconfronteerd met dit thema. In de brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 11 noemt Paulus namelijk de Scythen als tegenstelling tot de barbaren. Hij gebruikt hier een hele reeks tegenstellingen, zoals Griek en Jood, besnedene en onbesnedene en slaaf en vrije, om aan te geven dat zij voor Jezus Christus allen gelijk zijn. Jezus verdeelt de wereld niet in religieuze, etnische of sociale groepen. Voor hem zijn wij allen één uitverkoren geslacht om in heiligheid en liefde met elkaar om te gaan. Wie zijn dat dan; ‘die Scythen’ vroeg ik me af. Wat barbaren zijn weet ik wel; althans dat dacht ik. Is het wellicht een vriendelijk en beschaafd volk dat in schril contrast staat met de in onze ogen onbeschaafde en wrede barbaren?’ Het tegendeel bleek waar te zijn. Als je Google er op naslaat vind je: “Een Indo-Europees nomadenvolk, dat afkomstig uit Perzië, beschouwd werd als de wildste barbaren. Zij leefden in de huidige Oekraïne en Zuid-Rusland.” Duik je wat dieper in de geschiedenis, dan breekt het koude zweet je uit. Oorlogszucht, wreedheid en bruut geweld waren niet alleen aan de orde van de dag, ze werden als goddelijke eigenschappen aanbeden en vereerd. De schedel van je vijand tot drinkbeker maken’, was geen gebruik bij de Friezen, maar was, net als het gebruik van pijlenkokers gemaakt van de armen van je tegenstanders, bij de Scythen in gebruik. Paarden werden, alvorens te worden geofferd in een soort ‘armpje drukken’ gewurgd. De lijst van gruwelijkheden is schier oneindig. En dat volk leefde op de huidige Krim en in de Donbas.

Vaak wordt door atheïsten en agnosten ‘de godsdienst’ en met name het christendom als oorzaak van oorlog en alle ellende op deze wereld gezien. ‘Het heeft alleen maar verdeeldheid en onverdraagzaamheid gebracht’, wordt er dan geroepen. Voorbeelden van misstanden tijdens de Kruistochten en het conflict in Noord-Ierland zijn dan gemakkelijk gevonden. “Nee, godsdienst is in de kern onverdraagzaam en dient zo effectief mogelijk bestreden te worden”, is bij deze mensen een veel gehoord standpunt. Wanneer ik echter de geschiedenis bestudeer en constateer dat in oudtestamentische tijden oorlogsvoering bijna dagelijkse kost was en dat het in Jezus’ dagen al
niet veel beter was, dan denk ik dat de oproep van Paulus uiteindelijk toch nog enig resultaat heeft geboekt. Het was toch Paulus die, de leer van Jezus Christus samenvattend, opriep tot het overbruggen van de tegenstellingen. Het is toch Paulus die ons voorhoudt dat wij zijn uitverkoren om als heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld bekleed te worden. Dat we er nog niet zijn, moge duidelijk zijn. Het in een ongezonde vorm van zelfkritiek het christendom en de christelijke cultuur van ‘oorlogszuchtigheid’ beschuldigen, lijkt mij toch bezijden de waarheid en zeker niet bijdragen aan de bouw van een wereld van vrede, gerechtigheid en een hoopvolle toekomst.

Wat er van die Scythen geworden is? Na verschillende oorlogen met omringende stammen en volkeren werden de laatste Scythen op de Krim in de tweede helft van de 3e eeuw na Chr. door de Goten verslagen. De Goten, afkomstig uit Zuid-Zweden en de Poolse Oostzeekust, waren naar het zuiden getrokken en uiteindelijk via Roemenië in de Donbas en op de Krim terecht gekomen. Hun heidense stamtradities kregen in de vierde eeuw concurrentie van het christendom, dat de toegang van de Goten op Romeins gebied vergemakkelijkte. Hoewel hun christelijk geloof het pausdom van Rome niet erkende en een dissident karakter had, droeg het toch bij aan het langzaam maar zeker erkennen van de oproep van Paulus ons te laten bekleden met de liefde en ontferming die in Christus is. Laten we hopen dat de huidige oorlog het laatste zetje aan dat proces mag geven en wij ook de nazaten van deze Scythen binnen deze christelijke familie mogen begroeten.

Hendrik Ido Ambacht, 24 mei 2023
Pr. Eric Visser.

Joab en de Ammonieten

“Moet je kijken wat hier staat”. Mijn moeder zat in haar comfortabele fauteuil op het kamertje dat mijn zus op de eerste verdieping van haar huis voor haar had vrijgemaakt. Dat je voor je hoogbejaarde moeder moet zorgen, was voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Wij hadden als kind ervaren hoe onze ouders destijds voor onze grootouders hadden gezorgd en dat wij dat op onze beurt ook zouden doen, stond als een paal boven water. Toen mijn moeder, nadat ze een paar jaar weduwe was, te kennen had gegeven dat zij het ‘alleen zijn’ beu was, kon ze dan ook kiezen bij wie ze haar intrek wilde nemen. Omdat wij nog kleine kinderen hadden, was de keuze snel gemaakt en zo kwam het dat ik iedere week een uurtje naar mijn zus ging. Mijn moeder zat dan steevast in haar stoel de ‘grootletterbijbel’ te lezen. “Moet je kijken”, zei ze. “Ik lees nu al tachtig jaar dagelijks in de Bijbel en nu pas begrijp ik wat hier staat”. Ze wees op een tekst uit één van de brieven van Paulus en er volgde een heel betoog over de betekenis van een paar zinnen. Dat was overigens niet de eerste en enige keer dat ze zo’n “aha-erlebnis” had. Regelmatig werd ik gewezen op nieuw verworven inzichten in de verborgen wijsheden van ‘Gods Woord’.

De afgelopen week had ik, in navolging van mijn moeder, ook zo’n ervaring. Niet dat ik de discipline had opgebracht om, net als zij, ook al bijna tachtig jaar dagelijks een heel hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Mijn Bijbellezen schiet er door tijdgebrek wel eens bij in en dan beperk ik mij tot een korte overweging. Die dag was ik echter voor dag en dauw opgestaan en las het eerste boek der Kronieken. Boeken die je, hoewel de naam dit doet vermoeden, niet zo zeer moet lezen als een geschiedschrijving, maar eerder als een beschouwing over morele en religieuze waarheden. Bij hoofdstuk 20 aangekomen las ik: “De volgende lente, het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, voerde Joab het Israëlitische leger aan bij succesvolle aanvallen op het land van de Ammonieten, dat hij compleet verwoestte.” Ik las een vertaling van de Bijbel in spreektaal en omdat ik mij verbaasde over de zinsnede “het jaargetijde waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken”, sloeg ik ook de meer officieel erkende ‘Herziene Statenvertaling’ er op na. Daar heeft men deze zin met: “Het gebeurde ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken” vertaald. Het woordje gewoonlijk is hier weggelaten. Daarvoor in de plaats staat er een opmerking bij dat het hier wel degelijk om een periodiek ‘lente-offensief’ gaat. ‘Wonderlijk’, dacht ik. ‘Wij zitten op dit moment ook te wachten opeen ‘lente-offensief’. Het Westen bewapent in hoog tempo het Oekraïense leger dat zich voorbereidt om dit voorjaar het Russische leger hun land uit te jagen. Ook is, net als het land van de Ammonieten, de
Oost-Oekraïne bijna compleet verwoest. Er is in vijfentwintighonderd jaar helemaal niets veranderd. Nog steeds staan volkeren elkaar naar het leven en worden mensen als dieren afgeslacht. ‘Of toch niet?’ “Moet je kijken wat hier staat”, zei ik, mijn moeder herhalend, bij mezelf. “Er staat gewoonlijk”. Dat betekent toch niet meer en niet minder dan dat oorlog voeren destijds de gewoonste zaak van de wereld was. Een ‘gewoonte’, of een normale manier van doen. ‘Hebben we dan sinds Jezus Christus toch nog iets geleerd?’ Het lijkt er wel op. Wat je er ook van moge denken, in onze cultuur is oorlog voeren gelukkig iets wat we als een ongewenste uitzondering beschouwen. We hebben een Verenigde Naties die, hoe slecht het systeem ook moge functioneren, toch een appel doet op het geweten van de naties om de vrede te bewaren. We mogen toch dankbaar zijn dat bij de ingang van het gebouw van de Verenigde Naties en beeld staat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Jesaja 2:4 “Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.” Een profetie die in Jezus Christus vervuld is en waar deze wereld naar mag uitzien. Een profetie die we mogen najagen. De verontwaardiging van de Westerse democratieën over het brute schenden van de rechtmatige territoriale grenzen van een onafhankelijk land is mijns inziens dan ook volslagen terecht. “Ik begrijp nu ineens het gedrag van Joab die het land van de Ammonieten compleet verwoestte” dacht ik bij mezelf.
Pr. Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser

Ons slavernijverleden in Brazilië

Is het in Nederland binnenkort 150 jaargeleden dat de slavernij werd afgeschaft, in Brazilië gebeurde dat als laatste land ter wereld via een keizerlijk decreet van regentes Isabela pas op 13 mei 1888. Nog steeds een nationale feestdag hier.

Isabela, die tijdelijk haar vader Don Pedro II verving, stond zwaar onder druk van Engelse
evangelische politici en de lokale intelligentia die de slavernij op morele gronden veroordeelden. Dat
Nederland ook in dit land een dubieuze rol heeft gespeeld vinden we terug in Nederlands Brazilië oftewel ‘Novo Holanda’. Vanaf 1630 vestigde de West Indische Compagnie, onder leiding van Johan Maurits van Nassau, in de buurt van Recife in de staat Pernambuco een kolonie met als doel; de exploitatie van suikerrietplantages. Op grote schaal werden slaven uit West Afrika aangevoerd om dit mogelijk te maken. De Nederlanders deden dat tot grote jaloezie van de Portugezen, hoe kan je ook anders verwachten, buitengewoon succesvol. Toen Nederland in 1654 in de eerste Engelse oorlog verwikkeld was, kon het moederland deze kolonisten niet bijstaan en zagen de Portugezen de kans schoon de Nederlanders te verjagen. Het einde van een korte, maar in economisch opzicht, buitengewoon vruchtbare periode van de Nederlandse betrokkenheid op Brazilië. Nog veel in Brazilië herinnert aan deze periode. Alleen al in het door de Fransen gestichte São Luiz, vinden we het Nassau college, de avenida dos Holandeses en het Lagoa Jansen. Maar ook in het huidige Brazilië blaast Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven haar partijtje flink mee.
Maar wat merken wij, behalve dan die paar namen, vandaag de dag nog van dat Nederlandse
slavernijverleden in Brazilië? Nou, heel veel! Te veel! Vooral negatieve effecten die de Braziliaanse
maatschappij bijna totaal verlammen. We moeten bedenken dat in Brazilië tien keer zo veel slaven
werden geïmporteerd dan in de Verenigde Staten en dat de gebruikscyclus op zeven jaar stond. Een
buitengewoon cynisch scenario waarbij het aanvoeren van nieuwe slaven, door ‘eigen’ teelt of uit Afrika, goedkoper was dan hen een levenswaardig bestaan te geven. Dat in een multiraciale samenleving vooroordelen, hoewel ze officieel niet bestaan, in de praktijk moeilijk zijn uit te sluiten moge duidelijk zijn. De historicus en socioloog Gilberto Freyre publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw een omstreden boek, Groot Huis en Slavenverblijf, dat in Brazilië nog steeds veel wordt geciteerd. In dat boek betoogt hij hoe de raciale vermenging een verrijking voor het land heeft betekend. Maar het aandeel van de zwarte in deze aangename smeltkroes bestaat uit clichés als sensueel zijn, goed kunnen koken en mooie muziek kunnen maken. Dat zijn precies de clichés waar de huidige nazaten van de Afrikaanse slaven vanaf willen. Ze kunnen ook goede juristen, artsen en sterrenkundigen zijn. De critici van Freyre vinden dat hij voorbijgaat aan de ongelijkheid die er in de multiraciale maatschappij Brazilië bestaat.

Belangrijker is echter dat de Braziliaanse wetgeving nog steeds gebaseerd is op de slachtofferrol die ex- tot slaaf gemaakten wordt toebedeeld. Terecht gefrustreerd over de verschrikkelijke uitbuiting die de zwarte Brazilianen hadden ondergaan, werd er na de afschaffing van de slavernij een wet gemaakt dat ‘gratis arbeid’ bij wet verboden was. Alles wat een mens deed moest betaald worden en daar golden ook tarieven voor. Een volkomen logisch systeem dat slavernij voor eens en voor altijd onmogelijk moest maken. Een wet die nog steeds geldt en die inhoudt dat als iemand drie maal achtereen gratis mijn grasveld gaat maaien, hij in feiten in loondienst behoort te zijn. Een systeem van wetten en regelgeving dat een klager bij de rechter altijd gelijk geeft en tot enorme boetes kan leiden. Eén van de grootste kwaden die de slavernij in Brazilië heeft veroorzaakt, is het aannemen van deze slachtofferrol en een volkomen buitenproportionele wetgeving die het land totaal verlamd. Wat is namelijk de kern van een
samenleving? ‘Het gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het totaal’. Dat wordt door deze wet volkomen ondermijnd omdat hierdoor uiteindelijk niemand, of alleen een falende overheid, de
verantwoordelijkheid voor de samenleving draagt.

Wordt in Nederland en in vrijwel de hele vrije wereld vrijwilligerswerk hoog gewaardeerd en soms zelfs koninklijk onderscheiden, in Brazilië wordt het, als gevolg van een gefrustreerd slavernijverleden, totaal onmogelijk gemaakt. Als ik Suriname en de Nederlandse Antillen één advies mag geven; laat het nooit zo ver komen. Laat mensen, niet verplicht, maar uit liefde zich gaan inzetten om die samenlevingen te gaan opbouwen. Pas dan is het slavernijverleden echt verleden tijd.

Pr. Eric Visser
São Paulo, 29 maart 2023

GENESIS VII

Aan het begin van die intrigerende preek die de basis van deze hele studie over het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vormde, stond de opmerking: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende.” Nou, ik moet zeggen; na alles goed te hebben overdacht en na de bronnen zo nauwkeurig mogelijk te hebben onderzocht, is het er zeker niet duidelijker op geworden. Tenzij je een aantal fundamentele zaken uit het oorspronkelijke scheppingsverhaal anders zou gaan interpreteren dan datgene wat er letterlijk staat, wordt er in Genesis 1 toch een totaal ander verhaal dan dat van de wetenschap verteld. De zoektocht lijkt mislukt te zijn. Wat ik gehoopt had, dat de twee verhalen elkaar zouden onderbouwen, is ingestort en het lijkt er op dat het conflict eerder groter dan kleiner is geworden. Wat moet ik geloven? De wetenschap? Nou dan zullen we de Bijbel toch nodig eens drastisch moeten herschrijven, want de aarde is absoluut niet het centrum van het universum. Dat weten we toch al sinds het heliocentrisch wereldbeeld, zoals Galileo Galilei dat in zijn in 1632 gepubliceerde ‘Dialogo’ uiteenzette, is aanvaard. Het verzet ertegen heeft echter nog eeuwen geduurd en ik kan mij nog herinneren dat er in mijn jongensjaren nog mensen waren die beweerden dat de aarde plat was. Zij onderbouwden dat met de theorie dat het tot op dat moment nog niemand was gelukt om via de zuidpool Antarctica over te vliegen. Zij stelden zich de wereld voor als een soort pannenkoek met de noordpool in het centrum en Antarctica aan de rand. Zou je daar overheen gaan, dan zou je onherroepelijk in de leegte van de ruimte tuimelen. Of moet ik de Bijbel geloven en alle wetenschappelijke ontdekkingen, die iets anders dan die “Bijbelse waarheid” beweren, als godslasterlijke onzin bestempelen? Is het een keuze tussen natuurwetenschap en kosmologie enerzijds en creationisme anderzijds? Met andere woorden; de beginstelling ‘het probleem ligt niet bij de wetenschap en ook niet bij de theologie, maar het probleem ligt bij mij’, klopte niet. Althans daar had het alle schijn van. Het leek onverenigbaar en ik moest blijkbaar kiezen. Het antwoord ligt dan voor de hand. Met deze benadering haakt de jeugd massaal af. Voor hen is het Bijbelverhaal dan niet meer dan een aardig sprookje dat, net als de Kerstman, tot leuke folklore behoort, maar wat je beslist niet serieus moet nemen. Dat met het onderuithalen van Genesis tevens het hele fundament onder de Bijbel, dus ook onder het verlossingswerk van Jezus Christus wordt weggeslagen, behoeft denk ik geen betoog.
Maar wat dan wel? Zoekend naar antwoorden zat ik in het vliegtuig dat mij van São Paulo naar São Luiz en uiteindelijk naar Raposa zou brengen. Nicolly, mijn geadopteerde kleindochter, had geappt dat ze uitzag naar mijn komst en onderuitgezakt zat ik op de beste stoel van het vliegtuig. Een gezin dat graag naast elkaar wilde zitten, had mij een gratis ruil voorgesteld die ik niet had kunnen weigeren. ‘1D’, eerste rij stuurboord aan het gangpand met businessclass service, met voldoende beenruimte en uitzicht op de pantry en het toilet. Op enig moment kwam een jong echtpaar naar voren gelopen. Hij, een goed en welvarend uitziende begin dertiger voorop en zijn vrouw, althans dat nam ik aan, er achteraan. Zij, al even elegant gekleed en, zoals het behoorde, naar schatting net iets jonger dan haar echtgenoot, hield een baby in haar armen die zij, bij het toilet aangekomen, aan haar man overhandigde. Rustig wachtte zij op wat komen zou. Ik sloeg het tafereeltje, dat via een openstaande toiletdeur zichtbaar was, gade en was geroerd door de harmonie die er vanaf straalde. Een knappe, elegante geklede moeder zag er op toe hoe haar minstens al even knappe echtgenoot zijn vaderlijke plichten vervulde en hun baby vakkundig verschoonde. Geroerd zat ik te kijken hoe twee ouders in perfecte harmonie de zorg voor hun kind op zich namen. Heel gek, maar ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen. ‘Wat kan het leven toch mooi zijn’, dacht ik. Daar is echt niet zo veel voor nodig. Gewoon een paar ouders die de zorg voor een nieuw mensje op zich nemen. Plotseling, terwijl zijn moeder met een wolk van een baby op haar arm terugliep, drong de vraag zich aan mij op: ‘wat moet je zo’n kind vertellen als hij later, net als dat meisje in het eerste blog van 28 juli jongstleden, ooit zal vragen: “Waar kom ik vandaan”?’ Moet ik hem dan vertellen over de evolutietheorie, de hormonen en seksuele aantrekkingskracht bij zijn ouders? Over eicellen en spermatozoïden, x- en y chromosomen, celdeling en nog veel meer van die dingen? Zou ik daarmee het wonder verklaren dat er uit iets vormeloos in de beschermende buik van een moeder een prachtig mensje is geboren. Zou ik daarmee verklaren waarom zijn vader de moeite neemt om met liefde en zorgzaamheid zijn poep op te ruimen. Absoluut niet. Ik zou een karikatuur van zijn leven gemaakt hebben. Niets van al die biologische waarheden kunnen verklaren waar hij vandaan komt.
Als hij, later als hij groot is, dat zou willen weten, moet ik hem vertellen over wat de kosmologie “het mysterieuze energieveld” noemt. De energie die het universum vult en tot op de huidige dag doet uitdijen. “Wat dat precies is, dat weten we nog niet”, hoor ik ze zeggen. Precies zoals zij gekscherend ‘God’ omschrijven. Een god die het antwoord is op alles wat wij nog niet weten. Dat is dan wel de God die de hele schepping heeft voortgebracht en tot op de huidige dag in Zijn hand houdt. Een God die ook het vormeloze begin van deze baby heeft bedacht en gewild. Daar zal ik hem over vertellen. Natuurlijk zal ik hem dan ook, net als ik dat bij mijn kleindochter doe, vertellen over ei- en zaadcellen, hormonen en chromosomen. Ook dat heeft een kind nodig om harmonieus groot te worden. Eindelijk ben ik er achter. Eindelijk heb ik het probleem opgelost. Genesis en de Evolutietheorie zijn de twee kanten van ons bestaan en absoluut niet strijdig met elkaar. Sterker nog; we hebben beide verhalen nodig om waarachtig mens te kunnen worden.
Wat betekent deze wetenschap voor de wijze waarop wij onze kinderen opvoeden? Laten wij beide verhalen met liefde en zorgvuldigheid aan onze kinderen vertellen. Laten wij hen leren dat er, naast ons fysieke leven zoals dat via de evolutie is ontstaan, ook een ander leven is. Een leven dat niet met chemische reacties en historische data is vast te leggen. Maar een eeuwig leven dat uit alles opofferende liefde is ontstaan en in het 6000 jaar oude boek Genesis al wordt beschreven. Dit boek is geen geschiedenisles, maar een boek der wijsheden waarin we kunnen lezen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

Raposa (MA), 6 januari 2023
Pr. Eric Visser.

Onze Melkweg is een spiraalvormig stelsel, vol gas, stof en sterren. Het lijkt een beetje op dit stelsel met de charmante naam: “NGC 3949”. © NASA

Genesis VI

De veronderstelling dat in de eerste vijf verzen van het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, God zelf aan Adam het verhaal over de oerknal vertelt, verdient op z’n minst enige uitleg. Het lijkt er op, maar is dat werkelijk zo of hebben we hier te maken met een wat al te vrije interpretatie? Wat God verteld heeft, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Het is echter nuttig hier nog even in detail naar te kijken. We lezen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis en noemde het licht dag en het duister noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag.” (HSV). Volgens onze Baptisten zendeling/Antropoloog zou dit het verhaal zijn dat  God op dag 1 aan Adam verteld zou hebben.

Laten we hier nu eens het verhaal van de meest recente wetenschappelijke ontdekkingen tegenover zetten en vervolgens kijken of dit overeenstemt. Stephen Hawkins (1942-2018) legt met zijn theorie over het aller grootste en het aller kleinste en zijn beschrijving van de ‘zwarte gaten’ de basis onder de ‘oerknal-theorie’. Die luidt in het kort samengevat: * “Het begint 13,8 miljard jaar geleden met een enorme explosie. Na deze oerknal bestaat het universum volledig uit heet plasma. Het heelal zet uit en koelt daardoor af. Zo’n 380 duizend jaar na de oerknal is het heelal zo ver afgekoeld dat elektronen en protonen samen waterstofatomen kunnen vormen. De elektronen die daarvoor nog vrij door de hete plasmasoep kunnen bewegen, worden nu gevangen. Daardoor wordt het heelal minder dicht en krijgen de lichtdeeltjes die eerst nog opgesloten zaten, wat ruimte om te bewegen. Het heelal wordt van een dichte gloeiende massa plotseling doorzichtig. Een deel van deze lichtdeeltjes reist op dit moment, 2023, nog altijd door de ruimte die inmiddels gigantisch gegroeid is. De deeltjes zijn in die miljarden jaren reizen wel enorm afgekoeld.”

In 1965 worden deze deeltjes voor het eerst gemeten: zij vormen de zogenoemde kosmische achtergrondstraling. De achtergrondstraling is niet homogeen verdeeld, er zijn kleine variaties te zien. Het idee is dat deze kleine dichtheidsverschillen konden groeien dankzij de zwaartekracht. De dichtere gebieden trokken meer massa uit de omgeving aan en werden dichter en dichter, tot zo’n 200 miljoen jaar na de oerknal de dichtheid zo hoog werd dat de eerste oer-sterren zich konden vormen. Er ontstonden kleine sterrenstelsels en uiteindelijk ook grotere stelsels. De eerste spiraalstelsels, zoals de Melkweg, ontstonden een kleine vijf miljard jaar na de oerknal.

De kosmische achtergrondstraling en het feit dat sterrenstelsels zich van ons af bewegen en het heelal dus groter wordt, zijn al twee aanwijzingen dat de oerknaltheorie wel eens zou kunnen kloppen. Metingen van heel ver weg staande supernova’s, ontploffende sterren aan het einde van hun leven, bevestigen het versneld uitdijen van het universum. Daarnaast hebben sterrenkundigen nog andere aanwijzingen dat het wel goed zit met de oerknaltheorie. De verhouding van de lichte en zware elementen komt overeen met de voorspellingen. En het lijkt of sterrenstelsels zich inderdaad vormen en ontwikkelen volgens de voorspelling en daarbij klopt de verdeling van stelsels over de ruimte, de grote kosmische structuren.”

Helemaal zeker is deze theorie echter niet. De kosmoloog Daan Meerburg zet hier met de ‘Big-Bounce theorie’ vraagtekens bij. Zonder hier al te diep op in te willen gaan, komt het er op neer dat wetenschappers met elkaar overhoop liggen over de vraag of het uitdijen van het universum eindeloos is of dat de ‘Big-bang’ onderdeel is van een repeterende serie wervelingen in het universum. Een ruzie die, zolang de Bijbel door deze wetenschappers als achterhaald terzijde wordt gelegd, nog wel even zal voortduren. Want welke theorie je ook mag aanhangen, één ding staat toch wel vast. ‘In den beginne was er plasma, in Genesis omschreven als watermassa. Hierdoor vormen de protonen en elektronen de eerste waterstofmoleculen die, aanvankelijk in het plasma opgesloten, bewegingsruimte krijgen en er licht ontstaat. Het heelal wordt doorzichtig. Precies zoals in Genesis is omschreven. “de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn!”. Dit lijkt dus een nauwkeurige omschrijving van het eerste begin van de schepping, de zogenaamde ‘Big Bang’, te zijn. Ware het niet dat er één addertje onder het gras zit. Namelijk: met de zinsnede, “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg“, lijkt deze theorie onderuit gehaald te worden. Volgens Genesis schiep God hemel en aarde op één en hetzelfde moment en in de verhalen van de volgende “scheppingsdagen” zie we dat respectievelijk de dampkring (dag 2), de continenten en het eerste plantaardig leven (dag 3) ontstaan. Pas daarna schiep God de hemellichamen zoals zon maan en sterren (dag 4). In het Genesisverhaal zien we dus een pre-Gallileaanse benadering van de schepping. De aarde is het centrum van het heelal en de hele schepping wordt vanuit die visie benaderd. Wij, de moderne mens, weten wel beter en volgens de recente inzichten zou de aarde dus pas op dag 4 tezamen met zon, maan en sterrenstelsels zijn ontstaan.

Hoe verhouden deze twee visies zich tot elkaar? Als we aannemen dat het Genesisverhaal inderdaad door God zelf, letterlijk aan Adam, of in de Geest aan Mozes, is verteld en het vervolgens, al dan niet via kleitabletten, op de boekrol Genesis terecht is gekomen, zou God het dan bewust verkeerd verteld hebben? Of is het denkbaar dat Adam, onze Mesopotamische kleitablettenschrijver en Mozes, geen idee hebbend van plasma, het ontstaan van waterstof elektronen, en de eerste oer-sterren, dit in plaats van zwaartekracht en massa verdichting als  de aardse fenomenen dampkring en de vorming van de continenten en oceanen hebben geïnterpreteerd? Als dat zo is, dan volgt het Genesisverhaal de ‘Big Bang’-theorie en begint het verhaal van de aarde dus pas op dag 5 met het ontstaan van vissen en vogels en uiteindelijk op dag 6 de zoogdieren en de mens. Hierbij moeten we dan wel bedenken dat ‘het leven’ (in Genesis planten genoemd) nog voor de vorming van de planeten en sterrenstelsels is ontstaan. Volgens deze theorie zou Genesis dan buitenaards leven bevestigen. Interessant aangezien de wetenschap  hier ook van uitgaat. Of vertelt God heel bewust een ander verhaal en welk doel schuilt hier dan achter?  Persoonlijk ben ik geneigd het laatste te veronderstellen.

Na die preek, die mij destijds in het Baptistenhuis in São Paulo werd overhandigd, twintig jaar te hebben overdacht, liet God mij afgelopen maandag in het vliegtuig van São Paulo (SP) naar São Luiz (MA) het antwoord zien.

*bron: npokennisnet.nl

Raposa (MA), 4 januari 2023

Pr. Eric Visser.

“extragalactische pulsar”- Een pulsar is een snel ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Deze straling wordt op de aarde waargenomen in de vorm van snelle pulsen. De naam stond origineel voor pulserende radiobron (pulsating radio-source). Pulsars behoren tot dezelfde soort hemellichamen als magnetars; het belangrijkste verschil is de sterkte van het magnetisch veld.

Genesis V

De cirkel was rond. Wat na het avondeten, in één van de clubs in het Baptistenhuis in São Paulo gezeten, als een normaal en geanimeerd gesprek was begonnen, had zijn apotheose bereikt. Een discussie over het boek Job had vraagtekens gezet bij de gangbare interpretatie van het creationisme en had de ‘zes dagen-theologie’ omver geschopt. Ik had de eerste van de twee preken die een oude zendeling mij had overhandigd, aandachtig en geboeid gelezen. Een wereld was voor me opengegaan en de vraagtekens die ik bijna een leven lang bij de interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis had geplaatst, leken een eeuwigheid geleden. Helder stond het nu voor ogen: Mozes, of iemand uit zijn omgeving, had een oude Mesopotamische tekst herschreven in een boekrol die wij later Genesis zijn gaan noemen. Die tekst, in een kleitablet vastgelegd, had Moses vermoedelijk van Jethro gekregen. Zo niet; dan heeft hij die ergens op de berg Gods, al dan niet in de Sinaï woestijn, gevonden. Het belangrijkste was echter dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis gelezen dient te worden als een feuilleton die in zes dagen door God zelf aan de mensheid, zeg maar aan Adam, heeft verteld. Dit was in het kort de inhoud van de preek die ik mee naar bed had genomen. Nu, het was al bijna ochtend geworden, moest ik dat eerst maar eens goed tot me door laten dringen. Was het allemaal waar, of had ik me mee laten slepen in een logisch lijkende, maar desalniettemin bedrieglijke complottheorie?

Ik heb, hoewel ik me nu tot een Evangelisch christen reken, een gedegen Calvinistische opvoeding gehad en één van de aspecten daarvan is een onvoorwaardelijk geloof in de waarheid van Gods Woord zoals dat in de Bijbel wordt weergegeven. Daar iets aan toevoegen of afnemen, is een taboe dat binnen mijn opvattingen niet doorbroken zou mogen worden. De grote vraag was; ‘was datgene wat ik zojuist gelezen had een ontoelaatbare aanvulling op de Bijbel, of was het misschien een ontkenning van iets wat wij als een Goddelijke waarheid aanvaarden? Ik wist het niet. Het zou ook gewoon een uitleging kunnen zijn die niets toe of af deed aan de inhoud van het Genesisverhaal. Ik besloot er eerst maar eens een nachtje over te gaan slapen. Wie weet zou de volgende dag meer inzicht brengen.

Die volgende ochtend had ik, zoals gezegd, een afspraak met het bestuur van de Baptist Mission Society en bij het ontbijt kwam het er niet van om de inhoud van zijn preek te bespreken. Het leek er op alsof mijn gesprekspartner van de vorige avond een vervolggesprek ontweek en toen ik een paar uur later klaar was met mijn onderhoud, was mijn zendeling/antropoloog verdwenen. Het had er alle schijn van dat hij iedere verdere discussie uit de weg ging en het volledig aan mij overliet hoe ik met de zojuist verworven kennis zou omgaan. Voor het vertrek die middag las ik ook nog de tweede preek, maar die bracht geen nieuwe inzichten en was in feite een wat gecompliceerde herhaling van het verhaal dat ik die nacht had gelezen. Nieuwe standpunten of inzichten werden in ieder geval niet toegevoegd en ik moest het dus maar met de inhoud van de eerste preek zien te doen. Ik ging terug naar de Baptistenkerk waar ik logeerde en borg de verworven kennis en inzichten op in mijn achterhoofd. Voorlopig zou ik er niets mee doen en wachtte op wat de Heilige Geest mij hier over zou openbaren.

Bijna twintig jaar heb ik over dit onderwerp nagedacht. Dat gesprek en die preek ben ik nooit vergeten en ze hebben mij al die tijd niet meer losgelaten. Ik moest er wat mee. De opmerking die die man bij het overhandigen van zijn gedachtenspinsels had gemaakt; “Doe er iets goeds mee”, had ik al die tijd genegeerd. En nu, na al die jaren, wordt het tijd die oude schuld in te lossen. Een hele generatie, waaronder mijn eigen kinderen, heb ik in die tussentijd onderwezen in de kennis van het boek Genesis. De verhalen van de schepping, Adam en Eva, Kaïn en Abel en Noach met zijn ark gingen er als gesneden koek in. Tot op de leeftijd dat zij geconfronteerd werden met dat andere verhaal. Het verhaal van die oerknal dat die vader aan zijn dochtertje vertelde en dat haar in verwarring bracht. Een verwarring die ook mijn en uw kinderen kennen. ‘Wat is waar?’ en ‘welk verhaal moet ik geloven’? Het wordt de hoogste tijd dat daar een antwoord op komt. Maar welk?

“Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie. Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden,” stond aan het begin van dit hele verhaal. ‘Welnu’, dacht ik. ‘als dit hele verhaal op waarheid berust, dan moet dus nu het probleem opgelost zijn. Dan kan en mag er geen discrepantie meer zijn tussen de verworvenheden van de wetenschap en de inhoud van de Bijbel. Weet je wat’, zei ik bij mezelf, ‘ik ga gewoon de proef op de som nemen en dan kijk ik wel waar we terecht komen’. Laten we bij het begin beginnen. De eerste dag, het begin van alles. Wat heeft God daar destijds aan Adam over verteld en wat zegt de wetenschap daar nu over? We lezen in Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed (ook vertaald met afgrond) en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.  Binnen de traditionele opvattingen over het scheppingsverhaal hebben we hier al gelijk het eerste probleem. Het licht wordt geschapen terwijl we, even verderop lezen dat de zon, maan en sterren pas op de vierde dag geschapen zouden zijn. Een wonderlijke en onverklaarbare tegenspraak. Maar laten we eens kijken wat de wetenschap hier over te vertellen heeft. Wat weten wij van dat allereerste begin?

Ik luisterde laatst naar een radio interview over de bouw van de nieuwste en aller grootste radiotelescoop, de SKA, die momenteel in Australië en Zuid Afrika gebouwd wordt. Omstandig werd uitgelegd dat we met dit miljarden verslindende project signalen zouden kunnen opvangen die tijdens de vorming van het heelal zouden zijn ontstaan. Radiogolven die ons iets zouden kunnen vertellen over het hoe en wat van de oerknal. De uitdijing van het heelal, het ontstaan van de eerste sterrenstelsels, de aard van de zwaartekracht en de verspreiding van leven in de ruimte zijn slechts enkele aspecten die de SKA zal onderzoeken. Kortom; ‘dan zal ons een hoop over de vorming van sterrenstelsels en dus ook over de aarde duidelijker worden’, was het commentaar. “Wat moet ik me bij die radiogolven voorstellen”, vroeg de interviewer. “Dat zijn signalen die door natuurlijke processen zijn veroorzaakt”, antwoordde de wetenschapper. “Het zijn geen gewone radiogolven, maar eigenlijk is het licht. Voor ons niet waarneembaar licht, maar wel licht”. Ik viel bijna van mijn stoel toen ik dat hoorde. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was’, staat er in Genesis 1. Hoe is het mogelijk dat de één of andere Mesopotamiër deze woorden duizenden jaren geleden, zonder enige kennis van elektromagnetische straling, in een kleitablet heeft kunnen graveren. Zou iemand hem of haar dat verteld hebben? Is hiermee de eerste van een hele serie schijnbare tegenspraken eindelijk opgelost?

Zwijndrecht, 21 december 2022

Pr. Eric Visser

De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sp