De geboorte van een ster’ – Hoe leg je dat aan Adam uit?’ – “En Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”

Genesis IV

De grote vraag die ik , wonderlijk genoeg, nog nooit heb horen stellen, is: ‘hoe komt de eerste schrijver of verteller van het Genesisverhaal aan de informatie over de zaken die zich vóór de schepping van de eerste mens zouden hebben afgespeeld?’. Als we aannemen dat Adam die eerste verteller is en dat hij het scheppingsverhaal heeft doorverteld aan zijn kinderen, Kaïn, Abel en Seth, hoe kon hij dan de volgorde van de schepping die zich voor zijn eerste waarneming had afgespeeld zo nauwkeurig en gedetailleerd beschrijven? Totaal onmogelijk toch! Mijn Baptisten zendeling/avonturier kwam echter met de meest eenvoudige en voor de hand liggende oplossing. Je moet daar echter wel eerst antropologie voor hebben gestudeerd. In het Genesisverhaal komt namelijk een zeer in het oog lopende stijlfiguur voor. De steeds herhaalde zinnen: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”. Tot en met: “en zie, het was zeer goed, “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.“ Deze stijlfiguur werd in Mesopotamië gebruikt om een serie opeenvolgende delen van een grotere vertelling aan elkaar te koppelen. In onze moderne taal zou dat het “wordt vervolgd” van een feuilleton worden genoemd. Toen ik dat eenmaal ontdekt had”, zo vertelde de inleider, “vielen de schellen van mijn ogen. Het gaat hier helemaal niet om een verhaal dat zich in zes dagen zou hebben afgespeeld. Het is een verhaal, een feuilleton zo je wilt, die in zes dagen verteld wordt. Iemand heeft in zes episodes verteld hoe de schepping tot stand is gekomen. Dat hierin periodes van tienduizenden of misschien wel miljoenen jaren worden samengevat, is dan ook voor de hand liggend”.

Ik pauzeerde weer even. Het gewicht van deze woorden donderde als een onweersbui bij me binnen. Met grote slagen drong het ineens tot me door dat de hele discussie over de ‘zesdagentheologie’ in één klap werd doorbroken. Inderdaad een scheppingsverhaal in zes dagen verteld, maar dan wel een verhaal dat miljoenen jaren bestreek. Voor het eerst las ik een logische verklaring voor iets dat tot nu toe altijd was afgedaan met een uit haar verband gerukte tekst uit Psalm 90:4 “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is, of als een wake in de nacht”. Een zegswijze van de Psalmist om ons op de relativiteit van ons bestaan te wijzen. Ook een tekst die later door Petrus in hoofdstuk 3 van zijn 2e brief wordt geciteerd wanneer hij de gemeente maant waakzaam te zijn. Hij bedoelt; ‘let op, want Jezus kan ineens zo maar terugkomen en ben jij er dan klaar voor hem te ontvangen?’. Ik heb dat altijd ervaren als een ‘excuus-tekst’. Een doekje voor het bloeden. Echt overtuigend, als verklaring voor de scheppingsdagen, is hij voor mij echter nooit geweest. Maar nu, met deze

kennis, leek het er op dat de puzzelstukken op zijn plaats vielen. De grote vraag bleef echter onverminderd: ‘wie had dan die feuilleton voor het eerst verteld?’. ‘Wie had de kennis van de zaken die zich vóór de manifestatie van de eerste mens hadden afgespeeld?’ Die hele preek, of zo je wilt, dit hele college, concentreerde zich rond die grote vraag. De vraag die al in de inleiding gesteld werd: ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie?’.

Het was inmiddels al vroeg in de ochtend geworden, maar geboeid las ik verder. “Dat antwoord vinden we in de Bijbel”, zei hij. “Die verhalenverteller, de afzender van het boek Genesis, introduceert namelijk zichzelf’. Vermoedelijk heeft u, net als ik, hier altijd overheen gelezen, maar het staat er meer dan duidelijk. Lees maar in Genesis 3:8. ‘Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem’. Adam had, toen hij nog in het paradijs woonde, een levende, bijna fysieke relatie met God. Hij besprak dingen met God. Hij gaf namen aan de dieren die door God erkend werden. Hij vroeg een vrouw aan God en die werd hem gegeven. Is het dan ook niet logisch dat op een dag, tijdens één van die wandelingen, Adam, net als dat kleine meisje uit blog 1, aan God gevraagd heeft: “Waar komt dit allemaal vandaan?”. En God begon te vertellen: ‘In het begin schiep Ik de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en Mijn geest zweefde boven het water. Ik zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En Ik zag dat het licht goed was; en Ik maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En Ik noemde het licht dag en de duisternis noemde Ik nacht. Wordt vervolgd, zei God, morgen vertel ik verder. De volgende dag stond Adam al een tijdje op God te wachten om het verhaal verder te horen en zo vertelde God in zes opeenvolgende dagen het verhaal van de schepping. Geen verhaal over natuurkundige wetten. Ook geen verhaal over scheikundige of microbiologische processen, maar een verhaal over de opeenvolging der dingen. Maar vooral een verhaal waarin God de onderlinge posities en verhoudingen binnen de schepping vastlegde. Vanuit een grote chaos schiep God orde. Dat legde Hij Adam uit en dat verhaal moest verder verteld worden. Het zou de mens moeten helpen zijn plaats en verantwoordelijkheid in het grote scheppingsgebeuren te bepalen.

Wat er daarna gebeurde vertel ik in een volgend blog. Het was avond geweest en morgen geworden. Ik moest even op adem komen.

Zwijndrecht, 21 november 2022

Pr. Eric Visser

“Jabel el Lawz” – de echte berg Horeb in Saudi Arabië in de streek Midian

Genesis III

Ik lag in een logeerbed in één van de kamertjes van het zendingshuis van de Baptist Mission Society in de Zona Sul van São Paulo en las nieuwsgierig de eerste van de twee preken die een oude, gepensioneerde zendeling, mij zojuist had gegeven. Hij had ze uit een archiefkast opgediept en mij met de woorden: “Hier, doe er iets goeds mee”, overhandigd. Ik voelde me wat bezwaard want de toon waarop hij dit tegen me gezegd had, deed mij vermoeden dat hij verwachtte dat ik er meer mee zou doen dan ‘alleen maar lezen’. Wat zou deze man, die zich jaren in het ondoordringbare oerwoud van de Amazonas had teruggetrokken, te vertellen hebben over het scheppingsverhaal? Na een verhandeling over het boek Job, waren we vrijwel automatisch bij de historische betrouwbaarheid van het boek Genesis aangeland. Ontkende Job werkelijk het creationisme en legde hij inderdaad een bom onder het “zes dagen scheppingsverhaal”? Ik kon niet wachten op de ontrafeling van dit mysterie en had me onmiddellijk na het in ontvangst nemen van die preken in mijn kamer teruggetrokken, had me uitgekleed en las bij het schijnsel van een schemerlampje, de eerste regels. Misschien lag het antwoord diep verborgen in het mysterieuze oerwoud van de Amazonas.

We zouden daar inderdaad een tussenstop maken, maar voor dat het zo ver was werd een zoektocht naar de oorsprong van het boek Genesis beschreven. Waar komt het vandaan en wie heeft het geschreven? Dat het tot de vijf boeken van Mozes gerekend wordt, staat wel buiten kijf, maar de vraag of Mozes het ook zelf geschreven heeft blijft onbeantwoord. In Numeri 33:1-2 wordt weliswaar vermeld dat Mozes op bevel van de Heere zelf de vertrekpunten en rustplaatsen van het volk opschreef, maar daar mogen we niet uit concluderen dat hij dus ook het hele boek Genesis zelf zou hebben geschreven. “In mijn zoektocht speelt de vraag naar de uiteindelijke auteur echter geen cruciale rol”, zo betoogde hij. “Wel ben ik er van overtuigd dat Mozes een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijke inhoud heeft geleverd, maar dat leg ik later nog wel uit”, zo besloot hij zijn inleiding. “Belangrijker is de vraag waar Mozes, of degene die onder zijn verantwoordelijkheid het boek Genesis heeft geschreven, z’n informatie vandaan heeft gehaald. Daar zijn drie theorieën over en, afhankelijk van je persoonlijke overtuiging, zijn dat: ‘overlevering’, ‘goddelijke inspiratie’ of ‘verloren gegane schriftelijke overdracht.

Deze zendeling/antropoloog was duidelijk de laatste theorie toegedaan. Het scheppingsverhaal was te exact en te feitelijk voor een verhaal uit de overlevering. “Die gaan zich namelijk nogal snel te buiten aan overdrijving en verliezen zich ook in subjectieve waarnemingen”, was zijn conclusie. “Tegen het idee dat Genesis op ‘goddelijke inspiratie’ zou zijn gebaseerd, pleit het feit dat vergelijkbare Bijbelboeken, zoals Ezechiël, Daniel en Openbaringen, veel meer zinnebeeldig en met gebruik van veel beeldspraak zijn geschreven. Het boek Genesis is echter geschreven als een echt verhaal. Een feitenrelaas in de trant van ‘en toen, en toen en toen”. Ik pauzeerde even, dronk een glas water en las verder: “Daarna heb ik zo veel mogelijk scheppingsverhalen verzameld en gekeken waar ze vandaan kwamen. Honderden verhalen; vanaf Alaska tot aan Vuurland, uit Afrika, China, Indonesië en Australië. Overal haalde ik ze vandaan. Hierbij viel het mij op dat ze soms heel veel op elkaar leken. Verhalen uit ver verwijderde werelddelen, bleken verdacht veel overeenkomsten te hebben. Zo vertelden de Maya’s bijvoorbeeld dat alles is ontstaan uit een scheiding van land en water. Uit vondsten van fossielen van zeedieren, hadden ze afgeleid dat hun land vroeger een prehistorische zee moest zijn geweest. In hun scheppingsverhaal is dat dus ook het geval. De goden kalmeerden de wateren en alles wat leeft komt volgens hen uit het water en keert er uiteindelijk ook weer naar terug. Vermoedelijk werden daarom dan ook fossielen van zeedieren uit het Paleoceen als grafgiften aan hun overleden dierbaren meegegeven”. Een hele verhandeling over antropologische onderzoekmethodes en de prehistorische mens en hun taal en religie volgde. Lang stond hij stil bij de verhalen die hij als een eigentijdse David Livingstone bij de Amazonas indianen had opgetekend. Voor de studenten voor wie hij dit college had gehouden was dat ongetwijfeld gesneden koek. Voor mij was het echter overwegend koeterwaals.

Hij besloot dit deel van zijn betoog met de conclusie dat het Genesisverhaal tot de zogenaamde ‘Mesopotamische vertellingen’ behoort. Het verhaal speelt zich namelijk niet alleen daar af, ook de verteltrant wijst in die richting. In Mesopotamië, wel de ‘kraamkamer van de beschaving’ genoemd, had men niet alleen het schrift ontwikkeld, maar het stond ook bekend om zijn meeslepende literatuur. Verhalen werden in kleitabletten gegraveerd en zo bewaard, gekopieerd en doorverteld. Qua stijl sluit Genesis naadloos aan bij de stijl en verhaaltrant van deze kleitabletten. “Er blijven nu echter twee grote vragen over”, concludeerde hij. “In de eerste plaats is dat de vraag, ‘hoe kwam Mozes aan dit verhaal’? Had hij soms ergens die bewuste kleitabletten opgedoken? Het tweede, en eigenlijk veel belangrijker probleem dat we moeten oplossen”, zo stelde hij, “is de vraag, ‘hoe komt die eerste Mesopotamische verhalenverteller aan zijn informatie’? Hoe kan iemand ooit verteld hebben wat er gebeurd zou zijn in de periode toen er nog geen mensen waren om het waar te nemen? Dat is toch onmogelijk! Archeologisch en natuurhistorisch onderzoek zoals wij dat nu kennen en waaruit we uit sporenonderzoek bepaalde conclusies trekken, bestond toen nog niet.

Voor het antwoord op de eerste vraag, hoe Mozes aan die kleitabletten kwam, had hij een niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel logisch en aanvaardbaar antwoord. “Van Jethro natuurlijk”, was zijn conclusie. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian”, staat in Exodus 2: 1. De kwalificatie priester geeft aan dat Jethro in ieder geval een relatie tot een Godheid onderhield. Dat dit de God van Abram was, de God die zich later als de “Ik ben” openbaarde, kunnen we concluderen uit het feit dat Jethro zich later als niet Jood bij Mozes in de woestijn heeft gevoegd en hem zelfs op cruciale momenten heeft geadviseerd. Een soort Melchizedek dus, een mysterieus figuur, die priester van de ‘Allerhoogste God wordt’ genoemd en ook door Jezus wordt gememoreerd. Het zou kunnen zijn dat Jethro als een soort schatbewaarder die oorspronkelijke kleitabletten heeft bewaard en ze, bij gebrek aan een eigen zoon, op enig moment aan zijn schoonzoon heeft toevertrouwd. “Voor de uiteindelijke verhaallijn van dit betoog”, zo vervolgde hij, “is de betrouwbaarheid van deze veronderstelling niet cruciaal. Of het nu Jethro was of dat Mozes op een andere manier in het bezit van die kleitabletten is gekomen, is uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker is wat ik eerder geconcludeerd heb; Mozes moet ze in zijn bezit gehad hebben om het Genesis verhaal, zoals wij het nu kennen, op te kunnen schrijven of te laten opschrijven.” Tot zover het antwoord van onze zendeling/antropoloog op die eerste vraag.

Hier aangekomen nam ik even pauze en overdacht wat ik tot op dat moment had opgepikt. Ik had enige scepsis. Hoewel het verhaal tot nu toe logisch in elkaar zat, miste ik het harde bewijs. Met invullen van onbewezen theorieën moet je altijd heel voorzichtig zijn. In de meeste complottheorieën zit namelijk altijd wel iets logisch en daar op voortbordurend kan je, zonder het in de gaten te hebben, in een doolhof van onwaarheden belanden.

Zo is er de niet onomstreden theorie van Ron Wyatt dat de berg Horeb niet in de Sinaï, maar in de provincie Tabuk in Saudi Arabië ligt. Een theorie gebaseerd op het ontbreken van ieder spoor dat wijst op de teloorgang van het Egyptische leger tijdens de oversteek door de drooggevallen Schelfzee. Eeuwenlang zijn wij er van overtuigd geweest dat de berg Gods in het zuiden, bij het St. Catharinaklooster, in de Sinaï woestijn lag. Keizerin Helena had namelijk in 337 n. Chr. bedacht dat de braamstruik die ze daar zag staan wel eens de befaamde brandende braamstruik van Mozes zou kunnen zijn. Ze had er een kapel laten bouwen en sindsdien is het een lucratief bedevaartsoort geworden. Niet de eerste en enige miskleun die, in een fanatieke jacht op relikwieën en heilige plaatsen, de jonge kerk van Rome heeft gemaakt. Historici hebben die plek eigenlijk altijd al in twijfel getrokken. Zoals gezegd, resten van de doortocht door de Schelfzee zijn er nooit gevonden. De historiciteit van deze gebeurtenis en daarmee ook het bestaan van Mozes werd door historici ernstig in twijfel getrokken. Dat sommigen daarbij de voorbarige conclusie trokken dat, omdat enig bewijs van zijn bestaan ontbreekt, Mozes nooit zou hebben bestaan, wordt door de theorie van Ron Wyatt geloochenstraft. Hij zegt wel degelijk resten van Egyptische strijdwagens uit 1600 v. Chr. te hebben gevonden. Echter niet aan de oevers van de Golf van Sinaï, maar op die van de Golf van Akaba in Saudi Arabië in het gebied Midian de huidige provincie Tabuk. Aangenomen wordt dat Mozes, voor de tweede keer, op de loop voor de farao en het Egyptische leger zijnde, de vluchtweg kiest die hij eerder succesvol heeft afgelegd? Weer in Midian aangekomen gaat hij, in Exodus 20, weer de ‘Berg Gods’ op en ontvangt twee stenen tafelen met daarop de ‘wet der tien geboden’. Daar op voortbordurend zou het ook aannemelijk kunnen zijn dat hij daar ook de ‘stenen tafelen’, oftewel de kleitabletten van het boek genesis heeft ontvangen. In dat geval zou Jethro alleen maar Mozes’ schoonvader en adviseur zijn geweest. In het ontstaan van het boek Genesis zou hij dan geen rol van betekenis hebben gespeeld. Tegen deze theorie pleit echter het feit dat in de eerder genoemde passage in Numeri 33:1-2 Mozes de opdracht krijgt om nauwkeurig de rustplaatsen te beschrijven en helaas voor Ron Wyatt liggen die allemaal in de Sinaïwoestijn.

Wat verward en nog maar half overtuigd, las ik verder. Hoe interessant ook, de vraag hoe de mens ooit aan de informatie uit de periode voorafgegaan aan de eerste menselijke waarneming is gekomen liet mij nieuwsgierig verder lezen.

Zwijndrecht, 21 oktober 2022

Pr. Eric Visser

De bekende Paardenkopnevel in het sterrenbeeld Orion – Foto: Adam Block/Mount Lemmon SkyCenter/University of Arizona

Genesis II

Het moet helemaal in het begin van mijn bediening geweest zijn; medio 2002. We hadden nog geen casa CA gehuurd en van een eigen hoofdkantoor was al helemaal geen sprake. In die periode sliep ik nog met mijn hoofd op een rugzak op het balkonnetje van de Baptistenkerk van pastor Geovanne. Die avond was ik echter te gast in het zendingshuis van de Baptist Mission Society ergens in de Zona Sul van São Paulo. De volgende dag had ik een afspraak met een paar bestuurders van deze gerenommeerde organisatie en even op en neer rijden was er niet bij. Van het ene naar het andere eind van deze krankzinnige stad rijden, betekent tijdens de spits minimaal drie uur heen en drie uur terug

en als je een bespreking van één, hooguit twee uur hebt, is dat gekkenwerk. Dus keek ik uit naar een ontspannen avond met een kop koffie in één van de comfortabele leren clubs die daar bij mijn weten stonden opgesteld.

In afwachting van zijn repatriëring logeerde daar ook een, in mijn toenmalige ogen, stokoude zendeling. Ik denk overigens dat hij toen ongeveer even oud was als ik nu ben. Dus iemand met wat levenservaring zullen we maar zeggen. Na het eten raakten we, inderdaad in die clubs gezeten, in een geanimeerd gesprek. Hij vertelde over zijn ervaring als zendeling onder de indianen in de Amazonas, gaf me tips en vroeg naar mijn bediening. “Hoe kom je er bij om een zo radicale keuze te maken?”, wilde hij weten. Ik vertelde van mijn late bekering en mijn zoektocht naar de ware God. De God uit het visioen in mijn kinderjaren. De God die het ooit, als in Job 1, in de kring der hemelbewoners gezeten, wanhopig had uitgeroepen: “Er is niemand meer die mij kent! Hij wilde meer weten. Hoe oud was je toen je dat visioen kreeg? Hoe zag het er daar uit? Hoe wist je dat het ‘hemelbewoners’ waren? Wat zijn dat, hemelbewoners, zijn dat niet gewoon engelen? Ik antwoordde zo simpel mogelijk. Beschreef wat ik gezien had en stond stil bij mijn vruchteloze pogingen aan de goddelijke, maar schier onmogelijke opdracht; ‘de wereld bekend te maken wie God is’ te ontkomen. Langzaam maar zeker doken we het boek Job in. Zijn lievelingsboek en hij kende het niet alleen bijna uit zijn hoofd, maar had ook heel veel achtergrondinformatie. Ik ben niet zo’n Bijbelvorser. Ik ben meer een doener, maar wanneer iemand mij goede en bruikbare achtergrondinformatie weet te verschaffen, geniet ik daar met volle teugen van. Zo ook, deze avond. “Weet je”, zei hij, “het boek Job is ouder dan Genesis. In tegenstelling tot de gangbare mening dat het stamt uit de periode rondom Salomo, heeft recent onderzoek aangetoond dat het tot één van de alleroudste geschriften behoort. Vermoedelijk één van de vele vertellingen uit Mesopotamië waar ook het scheppingsverhaal vandaan komt. Vertellingen die op kleitabletten werden vastgelegd en zo bewaard zijn gebleven. Moderne theologen doen het af alsof het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn en Job geen historisch figuur is geweest. Vergelijkbaar met de boeken Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. Men heeft het namelijk, volkomen onterecht, ook in dat rijtje ingedeeld. Er zijn echter teveel details die er op wijzen dat Job wel degelijk bestaan heeft en dat het in de kern om een verdicht historisch document gaat. Bewijzen daarvoor te over. Weet je, nauwkeurig wordt in het boek Job het klimaat uit de ijstijd beschreven. Waar haal je dat vandaan als het één van de boeken van Salomo zou zijn? Sterker nog; als het een ‘boek der wijsheden’ zou zijn, dan staat er een knal van een fout in de Bijbel.” Bijna triomfantelijk keek hij mij aan. “In Job 40 wordt de staart van het nijlpaard beschreven als een ‘ceder’ of ‘recht als een ceder’. Nou kan je me een hoop vertellen, maar sinds mensenheugenis heeft een nijlpaard een onooglijk stompje als staartvormig aanhangsel. En kom nu niet aan met het excuus dat de schrijver niet geweten zou hebben hoe een

nijlpaard er uit zou hebben gezien, want het nijlpaard gaat terug tot in het midden- en laat-Mioceen (23 tot 5 miljoen jaar geleden) en is familie van de walvis. Ongetwijfeld wordt in het antwoord, dat God zelf hier vanuit een wervelwind aan Job gaf, een inmiddels uitgestorven variant beschreven. Let wel even op. Het is God zelf, en niet een mens, die hier de beschrijving van een nijlpaard geeft. Op z’n zachtst gezegd opmerkelijk.” Hij wachtte even om het gewicht van deze woorden goed tot me te laten doordringen. Ik vroeg me af wat dit te betekenen had. Vertelt God hier iets over de evolutietheorie? Het duizelde me een beetje.

‘Maar als dit zo is, dan legt de Bijbel hier zelf een bom onder het creationisme. Dat lijkt me nog al sterk. Deze oude zendeling, die zijn leven had gegeven om het Evangelie van Jezus Christus aan onbereikte indianen te brengen, zal toch zeker niet tegelijkertijd het fundament onder diezelfde Bijbel wegslaan?’ Deze en andere vragen vlogen op me af. Mijn verwarring bemerkend, gooide mijn gesprekspartner er nog een schepje bovenop. “Weet je, in het boek Job wordt ook het sterrenbeeld Orion beschreven. In Job 9 noemt Job de ‘wagen van Orion en het Zevengesternte’. Wij noemen dat de riem van de jager in Orion. Het sterrenbeeld Orion staat echter tussen 1.350 en 600 lichtjaren van de aarde verwijderd. Dat betekent, toen Job dit zou hebben gezegd, het al zo lang moet hebben bestaan. Waar blijf je dan met je zes dagen verhaal? Nee jongen, God heeft deze wereld en dit universum geschapen, daar ben ik van overtuigd. Het scheppingsverhaal in Genesis is ook echt waar, alleen de mensheid heeft er nog nooit een snars van begrepen.”

Maar hoe zit het dan, als God zelf een vorm van evolutie beschrijft en Job het verhaal dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen om zeep helpt? Wat ik altijd al had aangevoeld, maar waar ik nooit een vinger achter had kunnen krijgen, vloog die avond in alle hevigheid op me af. Met de kalmte, een oude en ervaren zendeling waardig, stond hij op en zei: ”Ik heb wat voor je. Je mag het houden. Doe er iets goeds mee.” Hij liep naar een grote houten boekenkast die in een hoek van de kamer stond. Trok wat laden open, scharrelde wat in archiefdozen en reikte me twee aan elkaar geniete bundeltjes papier aan. Twee, volledig uitgetypte preken die een, in de adelstand verheven Baptisten predikant, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voor een groep Oxford-studenten had gehouden. Ik bedankte hem en nam de preken mee naar bed waar ik ze in één adem uitlas. Ik las: “Ik ben gepromoveerd in de antropologie en geloof derhalve in het nut en de waarde van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben echter ook Baptisten predikant en theoloog en geloof derhalve ook in de goddelijke waarheid van de Bijbel. Als die twee binnen mijn waarneming met elkaar in conflict zijn, dan is dat niet een probleem van de wetenschap en al evenmin van de theologie.

Dan ligt het probleem bij mij. Kennelijk begrijp ik dan één van de twee of beiden onvoldoende. In deze preek neem ik jullie mee in de zoektocht naar mijn antwoorden.

São Paulo, 30 augustus 2022.

Pr. Eric Visser

Een landschap van “bergen” en “valleien”, gespikkeld met glinsterende sterren dat eigenlijk de rand is van een nabijgelegen, jong, stervormingsgebied genaamd NGC 3324 in de Carina Nevel.

Genesis

De NASA heeft nieuwe, spectaculaire beelden van de James Webb-telescoop getoond. Volgens zeggen kunnen we hiermee tot op een haar na terugkijken naar het ontstaan van het heelal. Ook wel de ‘oerknal’ genoemd. Volgens de wetenschap zouden we moeten aannemen dat alles toen met een enorme explosie zou zijn ontstaan en de aarde en alles wat zich daar op bevindt, inclusief wij zelf, het resultaat zou zijn van ongeveer 13,7 miljard jaar evolutie. Dat wil zeggen; een proces van efficiënte en voortdurende aanpassing aan de omstandigheden. Van een zich buiten deze materie bevindende supermacht, een god die dit hele proces zou hebben aangestuurd, is nooit iets aangetoond, dus dat verhaal van Genesis is een aardig sprookje, maar niet meer dan dat.

In de verhalen uit dat boek Genesis lezen we echter dat er een God was die de hemel en de aarde schiep. Een planmatig proces dat op een dag begon met de scheiding tussen de hemel, het universum en de aarde. Onmiddellijk gevolgd door de scheiding tussen licht en duisternis. Dag en nacht ontstonden. “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, staat er in vers 5 van hoofdstuk 1. In een periode van zes dagen worden de dampkring (dag 2), de zee, het land met de daarop groeiende planten en bomen (dag 3), de zon, maan en sterren (dag 4), de vissen en vogels (dag 5) en uiteindelijk de dieren en de over de hele schepping heersende mens (dag 6) geschapen. Uit de woorden: “En zie, het was zeer goed” uit het laatste vers van hoofdstuk 1 mogen we afleiden dat er tenminste van enige betrokkenheid op het resultaat bij die schepper aanwezig was. Het was in ieder geval niet het toeval en de absolute onverschilligheid die het evolutieproces kenmerkt.

Twee visies op het ontstaan der dingen die elkaar absoluut uitsluiten en geen enkel raakvlak lijken te hebben. Wij, de moderne mens die kennisneemt van deze twee verhalen, lijkt te moeten kiezen. Of het wordt het afstandelijke verhaal van de wetenschap waarin de mens gereduceerd wordt tot een anoniem hoopje levende cellen, of het wordt Genesis. Het verhaal van een scheppende God die in Johannes 1 wordt omschreven als: “het Woord dat Licht wordt dat in de duisternis is gekomen, maar door de duisternis (de mensheid) niet wordt begrepen.” Met de volgende anekdote wordt deze keuze pijnlijk zichtbaar. Op een dag vraagt een meisje aan haar moeder: “Mama, waar kom ik vandaan?“ “Nou”, zei de moeder, “in het begin was er een God die de hemel en de aarde schiep. De zee en het land, de planten, de vissen en de vogels en daarna schiep hij de dieren zoals de olifanten, de koeien en de leeuwen, tijgers en apen en nog veel meer andere dieren. Daarna schiep hij de mensen. Adam en Eva, een man en een vrouw schiep hij en die twee kregen kinderen en die ook weer en die ook weer en zo maar verder. Op den duur werden opa en oma geboren en papa en mama en toen kwam jij. Zo ben jij hier terecht gekomen”. “Oh”, zei het meisje en ging tevreden naar haar kamer. Die avond, toen haar vader thuis kwam uit zijn werk, stelde zij hem dezelfde vraag: “Papa, waar komen wij vandaan?”. “Heel in het begin”, zei de vader, was er een enorme knal, de zogenaamde ‘oerknal’. Daardoor ontstonden er gaswolken die onder enorme druk werden samengeperst en sterren en planeten werden. Op één van die planeten, de onze, maar misschien ook nog wel op andere planeten, klonterden groepjes moleculen bij elkaar en op een dag was er één zo’n groepje dat begon te leven. Dat groepje moleculen ging groeien en veranderen en veranderen en zo ontstonden er levende wezens. Miljoenen jaren later was zo’n groepje veranderd in een soort apen en die veranderden ook weer en zo kwam de eerste mensachtige tevoorschijn. Die mensen kregen kinderen en die ook weer en zo kwamen opa en oma, papa en mama en daarna jij op deze wereld terecht.” “Oh”, zei het meisje. Ze streek eens met de hand door haar haren en ging terug naar haar moeder. “Mama, papa vertelde een heel ander verhaal toen ik hem vroeg waar ik vandaan kom”, zei ze en ze herhaalde het verhaal dat haar vader haar verteld had. “Hoe kan dat nou? Eén van die verhalen kan toch niet waar zijn”, zei ze. “Jawel”, zei haar moeder, “het klopt wel.” “Hoe dan?“ vroeg het meisje. “Het klopt toch niet!” “Het klopt wel”, zei de moeder lachend. Het verschil is alleen dat hij het verhaal van zijn familie heeft verteld en ik dat van de mijne”. De moraal van dit verhaal is; beide verhalen kunnen waar zijn. Het meisje zal echter moeten kiezen tot welke familie ze wil behoren. Een onmogelijke keuze als het goed is, want het meisje zal evenveel van haar moeder als van haar vader hebben gehouden en niet tussen die twee hebben willen kiezen.

Zie hier het thema van de komende blogs die ik zal weiden aan dit schijnbare dilemma. Het is namelijk van wezenlijk belang dat wij, de opvoeders van een nieuwe generatie kinderen, hen begeleiden in het zoeken naar het antwoord op deze vraag. Doen we dat niet, dan hoeven wij ons er strakjes niet over te verbazen dat velen in de tienerleeftijd afhaken van het geloof. Dan zullen velen het verhaal van Genesis afdoen als een aardig sprookje en meer niet. Dat ze daarmee dan tevens de basis onder hun geloof wegnemen, zal duidelijk zijn. Zonder scheppende God, geen liefhebbende Jezus, geen Heilige Geest en geen verzoening met de Vader. Daarom zal ik in de komende blogs aantonen dat die keuze niet gemaakt behoeft te worden, maar dat er een en-en-verhaal is waarin beide verhalen elkaar onderbouwen en bevestigen. Ter aanvulling op deze, in boekvorm te publiceren blogs zal ik een publieke correspondentie tussen mij en mijn oudste zoon Jean-Eric hier aan toevoegen. Hem heb ik destijds opgevoed met de verhalen uit Genesis. Hij heeft vervolgens geschiedenis gestudeerd en deze verhalen als ‘historisch onbetrouwbaar’ naast zich neer gelegd. Hoe kijkt hij nu tegen deze verhalen aan? Is het nog steeds een mooi sprookje of hebben we hier toch met een Goddelijke waarheid te maken?

Hendrik Ido Ambacht, 28 juli 2022.

Pr. Eric Visser

Eén van de eerste kinderen in Vila Any voor wie wij scholopvang regelden

Children Asking, waar naar toe? (slot)

In de afgelopen drie blogs keek ik voornamelijk terug naar het verleden. Na in november 2021 een veelbelovende start met een professioneel nieuw leiderschap te hebben gemaakt, werden we begin april geconfronteerd met een enorme teleurstelling. De beoogd leider weigerde met mij, de grondlegger en vormgever van Children Asking, samen te werken en het draaide uit op een diepe teleurstelling. Ik vroeg me dan ook af wat we fout gedaan hadden. Als je de geschiedenis van YWAM of die van David Wilkerson met zijn ‘Teen Chalance’ leest, ontdek je al snel ongelooflijke overeenkomsten. Het lijkt wel of je eerst even goed onderuit moet gaan alvorens, inmiddels wat wijzer geworden, weer omhoog te kunnen krabbelen. In dit blog, het laatste uit dit vierluik, wil ik niet meer achteruit, maar vooruitkijken. Hierbij is vooral de ontwikkelde profielschets leidinggevend. Een profiel dat, gebaseerd op de keuzes uit het verleden, een richting geeft voor de toekomst.

Wij zijn Children Asking ooit begonnen omdat wij, geconfronteerd met corruptie en de verstrengeling van de belangen van de hulpverleners in de projecten hier om de hoek, daar nu juist een alternatief voor wilden bieden. Geen zakken met geld die in verkeerde handen belanden. Geen goedbetaalde baantjes voor statusjagers, maar opofferingsgezindheid waarbij het kind op de eerste plaats komt en waarbij de Bijbelse oproep tot belangeloze naastenliefde letterlijk wordt opgevolgd. Dit was en is het profiel van Children Asking. Zoals een voorganger in São Paulo het eens beeldend uitdrukte met de woorden: “Als de directeur van een hulporganisatie hier komt, rijdt hij voor in een luxe auto. De voorzitter van Children Asking komt echter op de fiets en neemt vóór- en achterop een kind mee”. Dat beeld voor ogen houdend, gaan we een nieuw team opbouwen. Nieuwe activiteiten ontplooien en, zoals dat afgelopen november al de bedoeling was, ‘Children Asking opstuwen in de vaart der volkeren’.

Wij hebben daarom een nieuwe pagina vacatures ontwikkeld. Hierin worden alle beschikbare functies met de daarbij behorende kwaliteiten en voorwaarden genoemd. Wij gaan de komende periode gericht zoeken naar mensen waarvan wij denken dat zij aan dit profiel voldoen en die wij graag bij ons team willen betrekken. Niks geen afwachten meer, maar actief op zoek gaan. U kunt dus eerstdaags een briefje van ons verwachten. Bent u teleurgesteld omdat wij nog geen contact met u hebben gezocht, dan is dat onze fout en neem dan graag zelf contact met ons op.

Met dit team willen wij niet alleen de bestaande organisatie in stand houden, nee; we hebben volop nieuwe plannen. We willen naast het eerder aangekondigde programma Children Asking geeft terug, waarin wij kerken meer op hun zendingstaak willen betrekken, ook het aantal vaste sponsoren (padrinho’s) uitbreiden. Een lang gekoesterde wens is om, naast de particuliere sponsoren, ook instellingen zoals bedrijven, scholen, verenigingen e.d. aan ons te binden. Dat doen wij via het nieuw ontwikkelde format, Adopteren voor instellingen. Men kan, afhankelijk van de financiële ruimte, kiezen voor een Silver- of Gold-elite deelname. Men ontvangt dan, naast een geïndividualiseerde metalen plaquette ook de contactgegevens van de regio-coördinatrice die het bedrijf of instelling op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de gesponsorde regio. Daarnaast openen wij de mogelijkheid tot het afleggen van bezoeken en assisteren wij als de sponsor speciale hulpacties zou willen organiseren.

Wij willen echter meer. Veel meer. Wij willen onze sponsoren beslist niet als alleen een geldschieter zien. Nee, zeker niet. Wij willen heel bewust en samen met u bouwen aan het doel waarom u uiteindelijk ons uw geld toevertrouwt, namelijk; een betere wereld. In Christelijke terminologie noemen wij dat “het Koninkrijk van God”. Om die onderlinge band en dat doel vorm te geven, gaan wij het oude CA-Magazine in een nieuw jasje steken en via een nieuw format en met een hernieuwd redactiestatuut een doorstart laten maken. Met de aansprekende tite VERGEZICHT gaan we een halfjaarlijkse glossy uitbrengen waarin we niet alleen verhalen rondom onze keukentafel zullen publiceren, maar vooral artikelen waarin maatschappelijke onderwerpen in de context van de door ons onderwezen 7 Bijbelse principes zullen worden belicht. Een team van ervaren, professionele journalisten zal verslag doen van de impact die 1) onafhankelijkheid, 2) verbinding, 3) karakter, 4) individualiteit, 5) zelfbeheersing, 6) rentmeesterschap en 7) zaaien en oogsten binnen een bedrijf, politieke partij of maatschappelijke ontwikkeling heeft. Kortom een rijk geïllustreerd blad dat op geen leestafel zou mogen ontbreken en hopelijk medebepalend wordt in de meningsvorming in Nederland en daarbuiten.

Ik zou dit blog-vierluik willen besluiten met de Latijnse spreuk: “omne bonum pulchre veniens in fine beatum” of te wel: “Eind goed, al goed”. Wij zijn als Children Asking op de proef gesteld en persoonlijk heb ik een bijzonder zware periode achter de rug, maar als ik kijk naar alle plannen en de hoop die hieruit spreekt, dan denk ik dat we gelouterd uit deze periode tevoorschijn zijn gekomen.

São Paulo, 20 juni 2022

Eric Visser/Voorzitter

Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser