Children Asking, waar naar toe? (3)

Mijn kloostercel in São Paulo.

In de blogs van afgelopen januari en april (scrol even omlaag om ze terug te lezen) stond ik stil bij de vraag hoe het met Children Asking verder zou moeten gaan op het moment dat ik er niet meer zou zijn, of wanneer mijn fysieke of geestelijke vermogens het leiding geven onmogelijk zouden maken. Reële vragen die je je als eindverantwoordelijke voor een organisatie als de onze wel degelijk moet stellen. Er is de afgelopen twintig jaar namelijk wel het één en ander opgebouwd dat, als dat zou stoppen, grote schade zou betekenen. Verlies aan inkomen en dus ook van de het levensdoel bij onze staf in Brazilië is iets wat zwaar weegt. Het te lor gaan van het onroerend goed zou betekenen dat het doel waarom men ooi geld heeft gegeven, namelijk voor het faciliteren van onderwijs aan kansarme kinderen, niet langer kan worden waargemaakt. Last but not least, zijn het natuurlijk de kinderen. Als ik de gigantische ommekeer in de levens van de kinderen hier in ons pilotproject in São Paulo zie, dan vervult mij dat met verbazing, en grote dankbaarheid. Wanneer ik mij de smeekbede herinner van een moeder in een zondagschooltje in Lahore: “Geef ons alsjeblieft een school. Geen van onze kinderen kan lezen of schrijven”, dan breekt mijn hart opnieuw. Kortom; een

legitieme vraag waar een adequaat antwoord op gegeven dient te worden. Wat is er dan beter dan terug te keren naar het allereerste begin. Naar het moment waarop God mij vroeg om om te zien naar de weduwen en wezen van deze wereld. In mijn blog van januari schreef ik daar over: “Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg.” Een klein beetje duidelijker werd het al in het blog van april. De eerdere keuze om Children Asking via een puur commercieel model (dat van Bernard Tapie) op te stuwen in de vaart der volkeren bleek niet onze weg te zijn. Wat dan wel? “Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven”, was het enige wat ik daar toen over schreef.

Op zoek naar antwoorden, althans de weg er naar toe, heb ik mij de afgelopen maand teruggetrokken in de Espaço Betty de Vries in São Paulo. Bidden en vasten (dat wil zeggen leven op water en brood), maar vooral luisteren naar wat God mij te zeggen had, was het parool. De contouren van die weg zijn inmiddels al wel zichtbaar. Vooral het teruggaan naar mijn oorspronkelijke roeping was een belangrijke sleutel naar het vinden van de oplossing. Wat was eigenlijk de reden om destijds Children Asking op te willen richten? Had ik mij niet beter de tijd en moeite kunnen besparen en gewoon, net als ieder ander, maandelijks een bijdrage aan de één of andere al of niet christelijke goede doelen stichting kunnen geven? Ik had drie hele goede redenen om dat niet te willen. De eerste was; dat onder insiders, mensen die met hun voeten in de klei van het ontwikkelingswerk staan, veel van deze stichtingen cynisch genoeg te boek staan als “groothandels in kinderleed”. Hiermee, niets ten nadele van hun donateurs of hun effectiviteit zeggend, wordt de grote emotionele afstand tussen hen en de kinderen en de vercommercialisering van het begrip naastenliefde bedoeld. Volgens het wetenschappelijk rapport dat een studiegroep van de Erasmus Universiteit in juni 2017 over de duurzaamheid van Children Asking publiceerde, kan men vragen stellen bij de legitimiteit van deze zogenaamde “derde sector”. Die miljarden verslindende instellingen zijn vaak niet meer dan de uitvoerders van het overheidsbeleid. Voor het hele rapport, klik op deze link.

Een tweede reden was het feit dat ik geconfronteerd werd met de inefficiëntie en corruptie die zich bij de uitvoering van deze projecten bij mij om de hoek afspeelden. Het waren vooral verdienmodellen voor de medewerkers die er een gemakkelijk en min of meer goed betaald baantje aan overhielden. Het belang van de kinderen was er wel, maar kwam op de laatste plaats. De derde en misschien wel belangrijkste reden was dat naar mijn mening het uitsluitend geven van een aalmoes niet overeenkomt met datgene wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf” (Marcus 12:31). De boodschap van Jezus is veel radicaler en eigenlijk tegennatuurlijk. Althans; die gaat tegen onze menselijke natuur in. Het is de pijn van je naaste willen dragen en jezelf durven verliezen. Niet meer aan de kant staan en roepen: “ach wat zielig”, maar daadwerkelijk ingrijpen.

Dit waren de waarden die vanaf haar oprichting aan de basis van Children Asking lagen en die wij onszelf en onze medewerkers en vrijwilligers nog steeds vragen na te leven. Dat wil zeggen a) het handhaven van de menselijke maat (geen mega-organisatie waarin onze donateurs anonieme gevers worden) en geen verlengstuk van de overheid, b) dienstbaar willen zijn waarbij niet het eigenbelang, maar dat van de ander, en specifiek dat van de kinderen, voorop staat en c) de basis van dit alles; leven naar Gods Woord. Het bestuur heeft in januari jongstleden al bepaald dat deze waarden in een statutenwijziging dienen te worden vastgelegd. Door ze bovenstaand nog eens duidelijk te hebben omschreven, hoop ik meer inzicht te hebben gegeven welke kant ik met Children Asking op wil gaan. Voelt u zich aangesproken, schroom dan niet een mailtje te sturen.

Children Asking, waar naar toe? (2)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)

Ons huis in La Frette sur Seine met rechts de kersen- en perenbomen en links de pruimenboom (foto Google Earth 16-4-2022)Wij woonden destijds in het schilderachtige La Frette sur Seine. Een dorpje in de Val d’Oise onder de rook van Parijs en een ideale uitvalsbasis voor een schilder die zijn wortels bij de Dordtse Verlaat-Impressionisten en Rotterdamse Expressionisten had gevonden. De romantische landschappen van Monet, Renoir, Sisley en anderen lagen om de hoek, terwijl de Parijse boulevards met hun chique kunstgalerieën op een kwartiertje treinen afstand lagen. Wat ook om de hoek lag was de paleisachtige villa van Bernard Tapie. Ooit zijn we, toen die te koop stond, er in een overmoedige bui gaan kijken. Een soort Eikenhorst verscholen in de bossen op de hautes van Cormeilles-en-Parisis. Maar verder dan een blik op de voordeur zijn we toen niet gekomen. Onze eigen, in een parkachtige tuin met vruchtbomen, op de oevers van de Seine gelegen villa, voldeed uitstekend en was bovendien al duur genoeg. Die meneer Tapie, daar wil ik het eens over hebben. Dat was een gewiekst zakenman die in die tijd geweldig populair was. Althans bij dat deel van het Franse publiek dat genoeg had van het socialisme van de toenmalige president François Mitterrand. Bijna dagelijks zat hij in de talkshows op de televisie en verhaalde zijn successen. Hij kocht noodlijdende of faillerende ondernemingen op, saneerde verliesgevende afdelingen door ze in een sterfhuisconstructie onder te brengen en ging aan de slag met de goedlopende en winstgevende afdelingen. Binnen de kortste tijd wist hij verouderde structuren te moderniseren en deze bedrijven weer winstgevend te maken. Iedereen blij toch? Jazeker, behalve al die arbeiders uit die verliesgevende afdelingen. Die werden zonder pardon afgedankt en waren overgeleverd aan een falend sociaal beleid van de Franse overheid. Later is die Bernard Tapie nog een korte tijd in de politiek gegaan en uiteindelijk eigenaar van het merk Adidas en voorzitter van Olympique Marseille geworden. Met die club behaalde hij verschillende keren de landstitel en zelfs een keer de UEFA Champions Leage. Een vermogend en succesvol man die echter ook een veroordeling wegens belastingfraude en verschillende beschuldigingen van corruptie aan zijn broek kreeg. Hij is inmiddels op achtenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker overleden. “God hebbe zijn ziel”.

Wat hebben wij, Dominique en ik, met deze man te maken anders dan dat hij ooit een verre buurman van ons is geweest? Dat zal ik u uitleggen. Hij staat model voor een manier om succesvol een zaak over te nemen. Die manier komt er op neer; “bouw een nieuw bedrijf op de bestaande fundamenten van een in principe levensvatbare onderneming”. Dat deze methode werkt, heeft hij dubbel en dwars bewezen en dit model wordt tot op vandaag nog steeds gehanteerd. Bedrijven en zelfs banken worden verhandeld alsof het broodjes zijn. Hele afdelingen worden opgedoekt, personeel wordt ontslagen en de klanten moeten het verder maar met gecomputeriseerde systemen zien te redden. De “efficiency-slag” die meneer Tapie al in de tachtigerjaren van de vorige eeuw heeft ingezet, is inmiddels gemeengoed geworden. Je moet mee in deze race, zo niet; dan kan je het wel schudden.

Even had ik het idee dat dit voor Children Asking niet anders zou moeten zijn. Zorg dat je op de bestaande fundamenten zo snel mogelijk een moderne en efficiënte structuur opbouwt zodat je winstgevendheid en expansiemogelijkheden toenemen. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo. Alleen bleek dit in de praktijk meer voeten in de aarde te hebben dan dat ik verwacht had. Laat ik dat met een eenvoudig voorbeeld proberen uit te leggen. De multinationale onderneming Philips is, met financiële steun van zijn vader Frederik, in 1891 door Gerard Philips als Eindhovense gloeilampenproducent Philips & Co. Opgericht. Op dit moment wordt er geen gloeilamp meer geproduceerd, maar het in Amsterdam gevestigde Koninklijke Philips NV is nu wereldleider in het vervaardigen van medische apparatuur. Dit is een proces geweest van meer dan honderd jaar aanpassen aan de gewijzigde technische, wetenschappelijke, economische en sociaal/politieke omstandigheden. Geen revolutionair proces waarbij à bout portant het roer 180 graden om moest, maar een proces waarbij, voortbouwend op verworvenheden, naar aanpassing aan een moderne tijd werd gezocht. Nu lijkt het even dat ik als geboren Rotterdammer ineens een PSV-supporter zou zijn geworden. Niets is minder waar, maar ik geef dit voorbeeld van Philips omdat zijn Rotterdamse equivalent, Verolme Verenigde Scheepswerven NV, om precies dezelfde reden, namelijk wél revolutionaire overnames, aan haar einde is gekomen.

Welke conclusies trek ik hier uit met betrekking tot het overnameproces van Children Asking? In januari kondigde ik al de noodzaak tot het vormen van een nieuw team aan. Ik schreef: “Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven.” Ik ben, net als Bernard Tapie, 78 jaar en heb, voor zo ver ik het weet, nog geen fatale ziekte onder mijn leden. Toch bereid ik mij voor op mijn afscheid van Children Asking. Ik ben dus nog steeds hard op zoek naar nieuwe teamleden, die met dezelfde waarden en geestdrift (dat zijn: streven naar Christusgelijkvormigheid zoals opofferingsgezindheid en dienstbaar willen zijn), de liefde van God voor het kind in nood vorm kunnen gaan geven. Niet op een revolutionaire wijze door in één klap de boel op de schop te nemen, maar door voortbouwend op wat is en met respect en eerbied voor wat was, Children Asking willen aanpassen aan de moderne omstandigheden. Ben jij zo iemand, neem dan alsjeblieft contact op. Wij bieden je geen droombaan, maar wel een team van betrokken medewerkers die alles van God verwachten. Lees hiervoor het getuigenis van Elizabeth op mijn

FB-pagina: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10216227157430900&id=1811410538

São Paulo, 16 april 2022.

Pr. Eric Visser/Voorzitter.

De universiteit voor de gebrokenen

Het was alsof ik bij toverslag was verplaatst in de jury van “Heel Holland Bakt”. Een programma dat ik af en toe volg en dat me keer op keer verbaasd laat staan over de bak- en kooktalenten van de deelnemers. Ze krijgen dan opdrachten die ver uitstijgen boven alles wat ik op culinair gebied voor mogelijk houd. Gerechten en baksels waarvan ik de naam nauwelijks kan uitspreken, laat staan er ook maar enig idee van heb hoe zoiets te bereiden, passeren de revue. En wat nog wonderlijker is; de kandidaten weten er iedere keer toch nog iets van te maken wat er minimaal verleidelijk uitziet. Of de smaak hier gelijke tred mee houdt, wordt dan door een deskundige jury, althans ik neem maar aan dat die deskundig is, beoordeeld. Ik vind wedstrijden met jury’s altijd iets dubieus hebben. Een persoonlijk oordeel lijkt mij per definitie een niet erg betrouwbaar instrument om tot een objectieve meting te kunnen komen. Jarenlang heb ik ooit de pogingen van het dochtertje van een vriend gevolgd die er op gebrand was dubbel ZZ in de dressuursport te bemachtigen. Dat haar pony niet tot het kaliber Bonfire behoorde en dat haar liefde voor het dier echte resultaten in de weg stonden, werd misschien wel meegewogen, maar toch was er iedere keer discussie over de uitslag. Hoe dan ook, tegen wil en dank voelde ik aankomen dat er van mij strakjes een oordeel gevraagd werd. Een oordeel over zaken waar ik totaal geen kijk op had.

Huiselijk geweld

Wat ik echter wel heel erg goed kon beoordelen was de spanning die van de gezichten van de veertien deelneemsters aan de “chef-cursus” van de Universidade das Quebradas af te lezen was. Vrouwen, niet piepjong meer, stonden met gekleurde schorten en haarkapjes op, in een rij voor een roestvrijstalen werktafel, waarop een paar kommen met een voor mij totaal onbekend gerecht stonden, opgesteld.  De “Universiteit der Gebrokenen” was een project dat mijn collega, Pr. Hermes, uitvoerde in een verlaten schoolgebouw in de wijk União de Vila Nova in São Paulo. Een wijk die beheerst wordt door het uiterst gewelddadig drugskartel PCC (Primeiro Commando da Capital) en waar kinderen volstrekt geïsoleerd van onze, de zogenaamde ‘bovenwereld’, opgroeien. Over die bovenwereld kan je boeken volschrijven. Wat te denken van de rol van de oudere blanke man? Een suffe zak die door zijn vrouw op een traplift wordt gezet! Een half demente bejaarde wiens vergeetachtigheid hem met een: “Ach laat maar schat, ik zet het alarm wel even aan”, liefdevol wordt ingepeperd! Klap op de vuurpijl is natuurlijk het beeld van die corpulente sufferd die, na de supermarkt te hebben leeggeplunderd, billen wrijvend, van die walgelijk gezonde soep voor zijn vrouw staat te maken. Een wereld waar ik niet echt vrolijk van word, maar die het niet haalt bij die waarin deze vrouwen het moeten zien te rooien. De mannen in de União de Vila Nova in São Paulo hebben over het algemeen nog het beeld van de stoere Neanderthaler, die een veroverd vrouwtje aan haar haren naar zij hol sleept, voor ogen. Niet dat dit beeld klopt, want Neanderthalers waren vermoedelijk vriendelijke sociale wezens die goed voor hun kinderen zorgden.  Nou, dat kan je van de PCC niet zeggen. Deze drugsdealers draaien er hun hand niet voor om, om kinderen van tien jaar verslaafd te maken, jongetjes als drugskoerier in te zetten en kleine meisjes al jong te leren hun lichaam als ruilmiddel in te zetten. Er is echter één positief lichtpuntje in Vila Nova. Kennelijk is de hoogste baas van de PCC opgegroeid in een gezin vol huiselijk geweld en heeft hij daar een diep trauma aan overgehouden. Een gevolg hiervan is dat er in heel Vila Nova geen man te vinden is die het in zijn hoofd haalt om zijn vrouw te slaan. Dat zou hem duur komen te staan. Je wordt daar wel voor minder omgelegd. 

Eten zoals de ‘rijken’

In deze gebroken wereld staat dus die “Universiteit onder de brug” en Pr. Hermes en zijn team proberen deze mensen iets bij te brengen hoe het er in die bovenwereld, de wereld van de rijken, aan toe gaat. Deze keer ging het over eten. Rijken eten heel anders en heel andere dingen dan jullie was hen verteld en vandaag stond er wel iets heel bijzonders op het menu; garnalen. Omstandig werd uitgelegd wat dat voor een dier was en hoe je die moest bereiden. Maar ook de rest van het menu moest aan de laatste normen van duurzaam en gezond voedsel voldoen. Dus was er zorgvuldig in de moestuin naar bijpassende kruiden gezocht en met de nodige trots werd het resultaat getoond. En ik, ik moest proeven! Ik kwam immers uit die boven wereld en zou dus vast wel weten hoe het heurt. Samen met Pr. Hermes kreeg ik een kom aangeboden en vol verbazing zag ik hoe één echte garnaal op een bedje van keurig gedrapeerd veldsla lag opgebaard. De tranen schoten mij in de ogen toen ik het diertje aanschouwde. Het had zijn, of haar, leven gelaten in een poging de mensen uit Vila Nova tot onze wereld te verheffen. Ik kon niet anders zeggen dan dat het heerlijk was en dat Pr. Hermes en zijn staf hun best hadden gedaan de horizon van deze vrouwen iets te verbreden. 

Soms denk ik echter; “Ik wou dat ik in een favela was geboren. Dan hoefde ik niet altijd zo netjes te zijn. Dan hoef ik later niet op een traplift te worden gehesen en kan ik gewoon bruine bonen blijven eten. Die zijn toch ook lekker? Of niet soms?”

#metoo

Het is woensdagavond en het merendeel van de staf is inmiddels naar huis. Slechts een enkeling is nog bezig met het afsluiten van de laatste werkzaamheden en maakt ook aanstalten te vertrekken. Nog even en ik heb het rijk alleen.

Een frisse avondwind waait door de openstaande deuren naar binnen en tezamen met de invallende schemer en de eenzame uren die mij wachten, brengt dat mij in een licht melancholische stemming. Vanmorgen vroeg, zo rond een uur of vier, heb ik de jongens en meisjes uitgezwaaid die de afgelopen veertien dagen hier op de Espaço Betty de Vries voor leven in de brouwerij hebben gezorgd.  Elf twintigers, inclusief bagage, zaten opgepropt in drie auto’s en gingen op weg naar de beruchte favela Jacerazinho in Rio de Janeiro om daar het Evangelie handen en voeten te gaan geven. Ze waren hier voor een intensieve training die om vijf uur ’s morgens begon met een uur aanbidding en slechts met een paar korte onderbrekingen voor de koffie-, lunch- en theepauze doorging tot negen uur ’s avonds. Opbouw in kennis en ervaring voor een bediening als zendeling was het devies en die dronken ze gretig op. Het was als een Elisa die aan Elia om een dubbel deel van diens bediening vroeg, zo leergierig waren deze jongelui. 

Doen wat Hij zegt?

Zelf heb ik een paar lessen mogen geven over de positie van de kerk. Wat is dat en wat zou die moeten zijn binnen de context van de Bijbel. Maar al te vaak is het een al of niet goed lopende organisatie en slechts zelden een door de Heilige Geest geleid organisme, het lichaam van Christus. Beslissingen worden genomen op basis van verworven machtsposities die maar moeilijk worden afgestaan. Op zijn gunstigst komen die op democratische wijze tot stand. Dat democratie gelijk staat aan “de wil van het volk” en derhalve lang niet altijd synoniem is met de wil van God, wordt gemakshalve maar vergeten. Nee, het dient de Heilige Geest te zijn die de kerk van Jezus Christus leidt. Niet door een symbolische, liturgische handeling te verrichten of  door een kort gebed uit te spreken, maar door echt naar Hem te gaan luisteren en te gehoorzamen. Dat is niet alleen luisteren, maar ook gaan doen wat Hij zegt. Zelfs al lijkt dat op het eerste gezicht volkomen krankzinnig.

‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’

Het duurde niet zo lang voordat ik zelf op de proef gesteld werd. Durfde ik werkelijk mijn nek uit te steken en me te laten leiden door wat de Heilige Geest mij ingaf, of bleef ik maar liever aan de kant staan? Op een avond had één van de meisjes zich teruggetrokken en zat met gebogen hoofd onder één van de palmen in de achtertuin. Op enige afstand bekeek ik vanaf het terras dat tafereeltje en vroeg me af wat er aan de hand was. Ze maakte een diepbedroefde indruk en voor mij was het duidelijk: ‘die zit ergens mee’. Maar met wat? Geen idee. Plotseling leidde de Heilige Geest mijn gedachten naar een liedje van The Seekers. Een Australisch kwartet dat in de zestiger jaren wereldberoemd was. Het liedje “I’ll never find another you” kwam bovendrijven en ik zocht het op via YouTube. ‘Wat moet ik hier in vredesnaam mee’ vroeg ik me af. ‘Zoek een versie met een Portugese ondertiteling en zorg dat ze het krijgt’.  Hoe ongebruikelijk die opdracht ook was, ik deed het. Een half uur later, toen ik in onze gemeenschappelijke huiskamer zat, kwam dat meisje langsgelopen. Ze moest kennelijk iets ophalen. “Kom eens even naast me zitten”, vroeg ik, “ik wil je wat laten zien”. Toen ze naast me op de bank zat, opende ik de link naar dat nummer en gaf haar mijn mobieltje. Vol aandacht volgde ze de romantische tekst waarin de zekerheid wordt verwoord dat er voor ieder van ons een heel speciaal iemand is met wie wij de gouden stranden van het “beloofde land” zullen betreden. Toen het liedje was afgelopen barstte ze in tranen uit, gaf me een emotionele omhelzing en bedankte me. “Dat had ik echt nodig”, zei ze. Vanaf dat moment was zij een beetje bijzonder voor mij geworden. Een “queredinha” – een lievelingetje – noem je dat in het Portugees.

Een vriendin voor het leven

Die woensdagavond, weer helemaal alleen en in een wat melancholische stemming, las ik het briefje dat ze mij bij haar afscheid gegeven had nog eens over. Een briefje vol met hartjes en ik bedacht; ‘als Ali B, Marco Borsato, Marc Overmars en al die anderen zich nou eens hadden afgevraagd wat die vrouwen werkelijk van hen verwachtten, dan zouden ze, net als ik nu, misschien een vriendin voor het leven hebben verworven’.  Ik kan het niet helpen, maar ik houd het niet droog.     

”Beste meneer Erick, dit is je lievelingetje. Via deze brief willen wij je bedanken dat je deze ruimte voor ons hebt geopend. Dat je in ons allemaal hebt geloofd en dat je van ons hebt gehouden. We bedanken je voor de opbouwende lessen die ons meer duidelijkheid hebben gebracht over het Koninkrijk der Hemelen. Je zult altijd in onze harten zijn. Je maakt hier, samen met ons, deel van uit en je inspireert ons om van Jezus te houden.

Mijn woorden aan jou zijn: bedankt Erick, bedankt dat je je door de Heilige Geest hebt laten gebruiken en dat je mijn leven hebt gediend, moge de liefde van Jezus meer en meer over je hart stromen, ik ben voor altijd dankbaar voor je leven, en voor altijd zal ik je geliefde zijn.”

 

Children Asking, waar naar toe?

‘Schei nu maar uit met al je pogingen om een beroemd kunstenaar te willen worden. Bekommer je liever om al die kinderen die het aan van alles ontbreekt.’ Woorden die door mijn hoofd flitsten toen ik in januari 2002 door God geroepen werd Zijn liefde voor deze kinderen handen en voeten te geven en van het UNESCO-project Children Asking een echte zendings-/hulporganisatie te maken.

Blinde man

Een avontuur waarvan ik op dat moment nog geen idee had wat dat allemaal inhield. Bijna letterlijk prikte ik als een blinde man in een moeras in de modder op zoek naar vaste grond. Soms met de moed der wanhoop, maar ook altijd bemoedigd en gesteund door mijn vrouw Dominique, zocht ik mijn weg. Ik huurde een appartement in een sloppenwijk, nodigde een buurvrouw uit kinderen bijles te gaan geven, bezocht kerken en daagde hen uit hun deuren voor deze kinderen open te zetten.

De Heilige Geest volgen

Er moest een organisatie opgezet worden om dit allemaal vorm te geven en ik sloeg mijn vleugels uit. Al snel breidden we uit richting Rio de Janeiro en het Noordoosten van Brazilië. Ontwikkelingen die door sommigen niet begrepen en heftig bekritiseerd werden. Maar, net als Paulus, volgde ik de Heilige Geest en ging naar mijn ‘Macedonië’. Uiteindelijk volgde in 2019 een samenwerking met een collega die Children Asking ineens naar Afrika bracht. En nu, midden in een coronapandemie hebben we met 6 projecten in Pakistan en 1 in Oost Timor de poort naar Azië en de Engelstalige wereld geopend.

Hoe het afloopt

De vlinder die destijds opsteeg onder een viaduct in Tiquatira – São Paulo heeft inmiddels voor een behoorlijke storm gezorgd. En storm die ik allang niet meer in de hand heb en die nu door anderen geleid gaat worden. Een nieuw team, dat met dezelfde waarden en geestdrift, de liefde van God voor het kind in nood vorm gaat geven. Er zullen ongetwijfeld dingen gaan veranderen en, naar ik hoop en verwacht, ook verbeteren. Ik hoop dan ook dat u hen, net als u dat mij al die tijd gedaan heeft, van harte zult ondersteunen in hun pogingen het Koninkrijk van God zichtbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, kunt u in dit filmpje nog eens nazien. Deel twee van deze film, ‘hoe het afloopt’, die zult u samen met het nieuwe team moeten maken.

Het meisje met de zwavelstokjes
(het echte verhaal)

“Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast…”

Wie kent het niet, het sprookje van Hans Christian Andersen van het arme weesmeisje dat op Kerstavond op blote voeten door de besneeuwde stad loopt. Ze hoopt wat geld te verdienen met de verkoop van lucifers. Eén doosje heeft ze maar en er zal vast wel iemand zijn die de kaarsjes in de kerstboom, die ze achter bijna ieder raam ontwaart, wil aansteken. Maar nee hoor. De mensen hebben haast en zijn bezig met hun eigen zaken. Het kerstdiner moet op tijd klaar zijn. De cadeautjes onder de boom worden nog gauw gekocht of men loopt nog gehaast naar de kerk. Zeker dat laatste mag je toch niet missen. Teleurgesteld kruipt het meisje in een portiek en steekt één lucifertje op. Sterren fonkelen. Even is het warm en het licht stijgt op tot in de hemel. Nog een lucifer, nog één en nog één. Uiteindelijk steekt ze het hele doosje maar aan. Even heeft ze het warm en reist ze mee met de sterren tot in de hemel. Even is weer bij haar oma die ze zo verschrikkelijk mist. De volgende dag vinden de mensen het meisje doodgevroren in dat portiek. Ze had een glimlach om haar mond omdat ze weer even bij oma was geweest.

Dit verhaal lijkt een treurig fantasieverhaal. Maar weet u, deze meisjes zijn er nog steeds op deze wereld. Tienduizenden leven op straat of in de krotjes waar Children Asking scholen heeft. Vanuit sloppenwoningen kijken ze naar de verlichte etalages van de miljoenenstad São Paulo waar kerstmannen cadeautjes uitdelen. Maar niet aan hen. Waar het behaaglijk warm is, maar niet voor hen.

Eén van deze meisjes was Jasmin uit de favela Mohinho in São Paulo. Tijdens een bezoek aan een kerkje in haar favela was ze op mijn schoot geklommen en is er daarna niet meer af geweest. Bij een volgend bezoek had ze het boekje van het meisje met de zwavelstokjes gevonden en ik moest voorlezen terwijl zij de plaatjes keek. En net als in het verhaal, moest ik nog een keer voorlezen en nog een keer en nog een keer. Ze kon er geen genoeg van krijgen. De laatste keer dat ik haar zag, wierp ze zware stenen naar de andere kinderen die het ook maar waagden om in mijn buurt te komen. “Eric Visser is van mij”, zal ze gedacht hebben. Daar mogen de andere kinderen niet aankomen. Een paar weken later vloog deze favela voor de zoveelste keer weer in brand. Ik heb Jasmin daarna niet meer kunnen vinden.

Er zijn nog duizenden andere Jasmins; Jongens en meisjes aan wie dit kerstfeest in eenzaamheid en met honger voorbij gaat. Ik denk aan de slavenkinderen in Pakistan en aan de kinderen van onze projecten in Guinee Bissau (Afrika). Gelukkig hebben wij aan een deel van hen al kerstpakketten kunnen geven, maar er zijn nog tientallen andere projecten waar kinderen snakken naar liefde en warmte. Wij willen ook deze kinderen een heerlijk kerstfeest bereiden. Wij hopen dat zij niet alleen maar hoeven dromen van een gezegende kerst, maar dat hun kerst ook in werkelijkheid gezegend mag zijn. Daarom vragen wij u deze kerst te delen van wat u heeft en te geven met ruime maat.

Dank u namens alle Jasmins in Afrika,

Eric Visser